Tweedelig live Keti Koti Festival online op woensdag 1 juli

3
Tweedelig live Keti Koti Festival online op woensdag 1 juli
Archieffoto: het Keti Koti Festival tijdens normale omstandigheden

Op 1 juli wordt er weer stilgestaan bij de afschaffing van de slavernij in Suriname. Vanwege de coronamaatregelen is er dit jaar geen grootse viering tijdens het Keti Koti Festival in het Oosterpark Amsterdam. Om deze dag niet geheel ongemerkt voorbij te laten gaan in COVID-tijd, hebben partijen de handen ineen geslagen en is er op woensdag een ‘live online Keti Koti Festival’.

Programmeur Sharon Fiasco (Rum on the Rocks, Vunzige Deuntjes en Serious Grind) en muzikant/producer Marlon Francis (o.a. Passion en Kenny B, Sabrina Starke, La Rouge) werken samen met het Keti Koti Festival voor dit alternatief Keti Koti event.

Het wordt een 2-delige streaming met spoken word voordrachten, Dj’s en muziekformaties, zoals Passion, Legato, Op Maat en Black Harmony afgewisseld met statements en vlogs van bekende Nederlanders over de afschaffing en de erfenis van de slavernij.

De streaming van Keti Koti Online is op woensdag 1 juli en begint om 15:00 uur, meteen na de NPO-uitzending van de officiële herdenking in het Oosterpark.

Tijd live streaming deel 1: 15:00 – 17:00 uur
Tijd live streaming deel 2: 18:00 – 22:00 uur

Live op 1 juli via de Facebook pagina van Keti Koti Festival.

- Advertentie -

3 REACTIES

  1. Wat elke rechtgeaarde Surinamer hoort te weten over 1 Juli. N.B. Dit stuk is vrij lang dus even doorbijten.
    De vraag die gesteld mag worden is natuurlijk wanneer de slavernij in Suriname daadwerkelijk is afgeschaft. 1 juli 1863 of 1 juli 1873.
    Mijn antwoord is dat de slavernij voor de mannen op 1 juli 1863 was afgeschaft, afgezien van de 10 jaars staatstoezicht. Mannen mochten de plantages verlaten en kregen een livret om achteraf te kunnen bewijzen dat ze in die 10 jaren staatstoezicht arbeid hebben verricht. Voor de vrouwen echter was de slavernij pas in 1873 voorbij. Ze waren 10 jaren lang, om redenen die een diepgaand onderzoek vragen op de plantage vastgehouden. Het mooiste voorbeeld uit deze periode is de anekdote van een Chinees , wiens contract was afgelopen en in de stad een winkel begon. Hij was verliefd geworden op een zwarte vrouw, ging terug naar de plantage , trouwden en wilde haar meenemen. En toen begon de ellende. De Chinees mocht vertrekken, maar de vrouw niet, daar zij de plantage pas op 1 juli 1873 mocht verlaten. In 1873 is ook iets opmerkelijks gebeurd wat ons dwingt tot nader onderzoek. In 1872 waren er heel veel kinderen op school; in 1873 blijken de meeste kinderen verdwenen te zijn. Ik vermoed dat de zwarte vrouwen wraak hebben genomen door de plantages samen met hun kinderen massaal te verlaten. Noem dit de wraak van de van de zwarte vrijgemaakte vrouwen. In mijn ogen is de afschaffing van de slavernij voor de geemancipeerde zwarte vrouw pas op 1 juli 1873 een feit. Dit betekent dat wij naast Kwakoe (beeld van de vrijgemaakte man) ook een beeld voor de vrijgemaakte vrouwen nodig hebben. Ik heb het opgezocht en het blijkt dat 1 juli 1873 een dinsdag was. Dit vrouwelijk beeld zal dus moeten heten ABENIBA. Ik heb met opzet de wet afschaffing slavernij gekopieerd om duidelijk te maken dat er geen onderscheid gemaakt mocht worden tussen man en vrouw. Toch is het gedaan. Er zit nog veel meer in die wet en hoever ik hem lees hoe meer ik tot de conclusie kom dat deze wet door een bril van een Surinamer bekeken een hele grote leugen voor de geëmancipeerden blijkt te zijn.
    Voor de geschiedenisliefhebbers onder ons. Deze wet goed bestuderen want je kan veel meer conclusies trekken.

    Staatsblad 164
    Versie 7-10-1862

    WET AFSCHAFFING SLAVERNIJ
    Resolutie
    van den 3n October 1862 N0. 1 ;
    waarbij afgekondigd wordt de wet van den 8sten Augustus, 1862 houdende opheffing der slavernij in de kolonie Suriname (Staatsblad No. 164).
    DE GOUVERNEUR DER KOLONIE SURINAME.
    Ontvangen hebbende bij missive van den Minister van Kolonien dd. 27 augustus 1862 la. B .No. 34|244, den Last tot afkondiging Van de wet van den 8sten Augustus 1862, houdende opheffing der slavernij in de Kolonie, Suriname (Staatsblad. no 164); heeft goedgevonden en verstaan: te, bepalen, dat de vermelde wet, achter deze Resolutie, in het Gouvernementsblad, zal worden geplaatst.
    Paramaribo , den 3n October 1862
    VAN LANSBERGE- .
    Ter Ordonnantie van den Gouverneur,
    De Hoofd ommies belast met dé functien van den Gouvernements Secretaris,
    J. E. WESENHAGEN.
    Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden.

    (No 164.) WET van den 8sten Augustus 1862, houdende opheffing der slavernij in de kolonie Suriname.
    Wij WILLEM 111, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau ; Groot-Hertog van Luxemburg , enz , enz. , enz.
    Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut ! doet te weten:
    Alzoo wij in overweging genomen hebben dat het welbegrepen belang der kolonie Suriname; de Opheffing der slavernij vordert; En willende tevens voorzien in de – middelen tot behoud en zooveel mogelijke uitbreiding van den landbouw en de- nijverheid in die kolonie; Zo is het, dat. Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verslaan, gelijk ; Wij goedvinden en verstaan bij deze:
    1ste HOOFDSTUK
    Algemene grondslagen.
    – Artikel 1
    De slavernij in de, kolonie Suriname is opgeheven op den eersten Juli 1863.
    Arl :2,
    Aan de eigenaren van slaven wordt ter zake van de opheffing der slavernij tegemoetkoming toegekend.
    Art. 3
    De krachtens art. 1 vrijgemaakte staan van den 1 sten Juli 1863 onder, een bijzonder toezigt van den Staat voor den tijd van hoogstens ‘tien jaren.’
    Art. 4.
    De vrije kolonisatie van Suriname wordt van staatswege aangemoedigd.
    Voor den aanvoeren van vrije arbeiders in Suriname worden van staatswege premien uitgeloofd gedurende hoogstens vijf jaren na afkondiging dezer Wet.
    Het gezamenlijk bedrag dier premien kan de som van één miljoen gulden niet te boven gaan.
    De voorwaarden welke vervulling noodig is om aanspraak op uitbetaling dier premien verkrijgën’, worden door Ons vastgesteld, en het toezicht op den aanvoer door de Regering te houden, wordt door ons geregeld.

    11de HOOFDSTUK.
    Van de teqemoetkoming
    Artikel 5
    Binnen dertig dagen na de afkondiging dezer wet in de kolonie Suriname, wordt door alle eigenaren van slaven of hunner gevolmagtigden ter gouvernements-secretarie ingeleverd een borderel van aangifte in duplo vermeldende:
    de namen der plantages waartoe de slaven behoorèn;
    de namen en woonplaatsen der eigenaren of hunner gevolmagtigden ;
    het bedrijf of beroep en de godsdienst der hun tóebêhoorende slaven, met opgaaf dergenen, die regt op manumissie hebben verkregen, en van dé zoodanigen, die door de, bevoegde commissie gerangschikt zijn onder de suspecten van besmetting door de ziekten van melaatschheid en elephantiasis. van de inlevering, van dit borderel wordt een bewijs aan den inleveraar, uitgereikt.
    Art. 6.
    Bij verzuim van de eigenaren of hunne gevolmagtigden om het in art. 5 vermelde borderel binnen den gestelden termijn in te leveren, wordt het van gouvernementswege opgemaakt, en komen de daarvoor gemaakte kosten voor rekening van den nalatige.
    Art. 7.
    De borderellen van aangifte, bedoeld in de beide voorgaande artikelen, worden binnen een door den gouverneur van “Suriname te bepalen korten termijn , van gouvernementswege vergeleken met de aanwezige slaven en zooveel nodig, met de registers.

    Art. 8.
    De tegemoetkoming voor slaven, onverschillig of zij tot plantages en gronden behooren, of als particuliere slaven bekend staan, en zonder onderscheid van ouderdom of geslacht, wordt bepaald op f 300 voor ieder hoofd.
    Voor slaven, die regt op manumissie hebben verkregen, op f 60 voor ieder boofd.
    In de conceptwet stond het volgende:
    Art. 6.
    De vergoeding aan de meesters te verleenen bedraagt:
    a. f 450 per hoofd voor slaven tot suikerplantages behoorende;
    b. f 350 per hoofd voor particuliere, niet tot plantages of gronden behoorende slaven;
    c. ƒ 300 per hoofd voor slaven, tot koffij- , koffij en cacao- . cacao-, katoen- en rijstplantages , kweek en kostgronden behoorende:
    d. ƒ 200 per hoofd voor slaven tot houtgronden behoorende;
    e. f 50 per hoofd voor slaven , die een wettig regt op manumissie verkregen hebben.
    Dus: de zwaarte van den arbeid bepaalde de waarde van een slaaf.

    Art 9.
    Voor tegemoetkoming komen niet in aanmerking:
    a. slaven, die,wegens besmetting uit de samenleving zijn of moeten worden verwijderd. Ten aanzien van hen , die volgens de “voorschriften” der publicatie van den 7den September 1830 , (Gouvernementsblad No. 13). zijn, of naar aanleiding van de verificatie, bedoeld in art. 7, nader mogten worden verklaard-verdacht van met eene der daarbij aangeduide kwalen te zijn besmet, blijft de beslissing omtrent de toekenning eener tegemoetkoming opgeschort. De tegemoetkoming wordt niet toegekend indien de lijder binnen het jaar na de afkondiging dezer wet in de kolonie Suriname niet door de bij artikel 9 der hiervoren génoemde publicatie aangeduide Commissie is gezond verklaard.
    b. slaven; die weggeloopen of vermist zijn langer dan eene maand voor den dag der verificatie bij
    art. 7. Bedoeld.
    c. tot dwangarbeid veroordeelde slaven, wier straftijd binnen vier jaren na den 1 sten Juli 1863 niet is geeindigd.
    d. kinderen, uit slavinnen geboren na de afkondiging dezer wet in Suriname.
    Art. 10.
    De tegemoetkoming strekt niet slechts voor den persoon van den slaaf, maar ook voor zijne kleederen, klein- en pluimvee en alle roerende goederen, die volgens koloniaal, gebruik geacht worden hem in het bijzonder toe te behooren.
    Deze goederen worden zijn eigendom.
    Art. 11;
    ln overeenstemming met de volgens art., 7 geverifieerde borderellen van aangifte wordt van de te verleenen tegemoetkoming een staat opgemaakt die gedurende dertig dagen na afloop van den bij evengemeld artikel bedoelden termijn ter gouvernements secretariè ‘tot inzage van de belanghebbenden wordt nedergelegd.
    Art. 12
    Bij of indien de eigenaren of hunne gevolmagtigden zich met dien staat niet kunnen vereenigen, wordt hun vrijgelaten, binnen veertien dagen na den termijn bij het vorig artikel bepaald bij deurwaarders exploit verzet aan te teekenen ter gouvernements secretarie, met vermelding der gronden van bezwaar.
    Art 13
    Binnen veertien dagen na de aanteekening wordt op straffe van verval, het verzet door hem, die het heeft gedaan bij dagvaarding tegen de eerstkomende teregtzitting voor het geregtshof der kolonie Suriname gebragt. Ten dage dienende worden over en weder de sustenuen mondeling toegelicht, zonder het ministerie van procureurs en zonder schriftelijke conclusien. Het hof doet ten spoedigste daarna uitspraak ten ware het een nader onderzoek mogt bevelen, waartoe een termijn moet worden, gesteld. .
    De uitspraak van het hof is voor geen hooger beroep vatbaar.

    Art. 14
    De tegemoetkoming, bij art- 8 bedoeld, wordt binnen drie maanden na – de opheffing der slavernij aan den eigenaar of zijnen gevolmagtigde voldaan. De betaling geschiedt in wissels, gulden – voor : ‘ gulden, af te geven door den gouverneur op den Minister van Koloniën en betaalbaar ééne-maand . na zigt bij de Nederlandscha Bank te Amsterdam, of wel voor zoover verlangd wordt en de koloniale kas daartoe naar het oordeel van den gouverneur bij magte is, te Paramaribo in wettig betaalmiddel.
    Art. 15.

    In geval van geschillen over eigendomsregten op slaven, of wanneer derden aanspraak, maken op het bedrag der tegemoetkoming of op een gedeelte daarvan wordt de voldoening van het geheel uitgesteld tot dat partijen het eens zijn of dat het geschil bij eindvonnis is uitgewezen.
    Art.’ 16
    Het regt op de krachtens – deze wet vastgestelde tegemoetkoming gaat verloren ten aanzien van de sommen, welke binnen vier jaren na de opheffing der slavernij niet zijn opgevorderd.
    Art 17
    De opgaven, verklaringen, kwijtingen en verdere administratïeve stukken, welke ingevolge de bepalingen van dit Hoofdstuk worden vereischt, zijn niet onderworpen aan de belasting van het zegel.
    III.e HOOFDSTUK.
    Van het bijzonder toezigt van den Staat ;
    Art. ’18;
    Het bijzonder toezigt van den Staat over de vrijgemaakten wordt opgedragen aan bezoldigde ambtenaren, wier werkkring en bevoegdheid worden geregeld bij algemeene verordening.
    Die ambtenaren mogen geen beheer voeren over plantages of eenig geldelijk belang hebben bij eenige onderneming op Suriname
    Art. 19.
    Het staatstoezigt heeft de strekking om de bij deze wet vrijgemaakten te beschermen en op te leiden tot het familie en maatschappelijk leven
    door het weren van lediggang en het regelen der verplichting tot arbeid, zomeede
    door het bevorderen van het school en godsdienstig onderwijs;
    door het voorschrijven van de middelen tot ondersteuning der hulpbehoevenden en de verpleging der zieken
    voorts in het algemeen
    door het nemen van maatregelen welke in het belang der vrijgemaakten of in dat van de publieke orde nodig zijn.
    n.b. wat kunnen ze dit toch mooi formuleren
    Art. 20
    De góuverneur,van Suriname is bevoegd vrijgemaakten, die zich door zedelijk gedrag en arbeidzaamheid gunstig onderscheiden, van het staatstoezicht te ontslaan.
    IVde HOOFDSTUK.
    Van de Vrijgemaakten
    Art. 21. De vrij te maken slaven nemen eenen geslachtsnaam aan, onder welken zij zoo veel doenlijk
    Familieswijze worden ingeschreven in daartoe bestemde registers . Van die inschrijving wordt hun een bewijs afgegeven, vermeldende- het nommer van inschrijving, den naam en de voornamen en den datum van geboorte of den vermoedelijken ouderdom. De gouverneur der kolonie draagt zorg dat de inschrijving geschied zij bij de opheffing der slavernij.
    Art. 22
    Het gewoon burgerlijk en strafregt is op de Vrijgemaakten toepasselijk, behoudens de uitzonderingen, die het staatstoezicht, indien zij daaronder verkeeren, noodzakelijk maakt.
    Let op met name leeftijd van de slaven die in het huwelijk treden.
    Arf. 23. De vrijgemaakten worden, beschouwd als ingezetenen der kolonie. Eerst na de opheffing van het staatstoezigt treden zij in het volle genot van het burgerregt, behoudens voldoening aan de deswege bestaande bepalingen.
    m.a.w. de slavernij is officieel afgeschaft op 1 juli 1873.een kunstmatige verlenging van de slavernij.
    Art 24.
    Gezette arbeid is verpligtend voor alle onder het bijzonder staatstoezigt geplaatsten overeenkomstig de navolgende bepalingen:
    A. Voor hen die op plantages of gronden gevestigd of, gewoonlijk werkzaam zijn geweest:
    § 1. dat allen, van den ouderdom van en met 15 tot en met 6o jaren gehouden zijn, om overeenkomsten te sluiten tot het verrigten van, plantage-arbeid met planters of landbouwondernemers te hunner keuze.
    &2 dat die overeenkomsten ten overstaan van den ambtenaar, bedoeld in art. 18. en overeenkomstig de deswege vast te stellen verordeningen worden gesloten voor niet minder dan één jaar en niet meer dan drie jaren
    &3. dat de gouverneur de bevoegdheid heeft om in zoover hij dit tot handhaving van rust en orde noodig oordeelt gedurende de twee eerste jaren na de in werking treding dezer wet, de keuze der vrijgemaakten tot het sluiten van overeenkomsten te beperken tot de divisie of het district waarin zij op den 1 Julij 1863 zijn gevestigd.
    & 4. dat zij die binnen drie maanden na, de opheffing der slavernij geene overeenkomsten hebben gesloten , door de zorg van het bestuur, te werk worden gesteld op gouvernements plantages, of bij werken van algemeen nut;
    § 5 :dat zij , die ouder dan zestig jaren zijn, blijven bij de gezinnen waartoe zij behooren, evenals kinderen beneden, vijftien jaren, die in elk geval hunne moeders volgen;
    §6. dat, de in vorige paragraaf bedoelde ouden en kinderen gehouden zijn, naar hunne krachten en bekwaamheden, tegen een daaraan geëvenredigd loon hunne diensten te verleenen aan den huurder of planter, met wien het hoofd van het gezin of de moeder der kinderen, de overeenkomst heeft gesloten.

    B. Voor hen die niet op plantages of gronden gevestigd of, gewoonlijk werkzaam zijn geweest:

    &1. dat zij, even als de gewezen plantage slaven van den ouderdom van en met 15 tot en met 60 jaren gehouden zijn om overeenkomsten te sluiten tot het verrichten van arbeid of diensten met personen te hunner keuze.
    &2. dat die overeenkomsten ten overstaan van den ambtenaar, bedoeld in art 18., en overeenkomstig de deswege vast te stellen verordeningen worden gesloten voor niet minder dan drie maanden en niet meer dan een jaar voor arbeid of diensten in de stad
    Indien zij zich voor plantage werkzaamheden verbinden, zijn de bepalingen der §§ 2, 5 en 6 van de onderafdeeling A op hen toepasselijk
    §3. dat aan hen, die ten genoege van dien ambtenaar bewijzen op zich, zelven enig beroep, ambacht of, bedrijf te kunnen uitoefenen ter voorziening in eigen behoeften en in die van hun gezin bevoegdheid wordt verleend tegen betaling van het patentregt dat bij algemeene koloniale verordening op het uit te oefenen beroep, ambacht of bedrijf wordt geheven.Van de verleende bevoegdheid wordt jaarlijks het schriftelijk bewijs hernieuwd
    §4. dat zij, die binnen drie maanden na de opheffing der slavernij geene overeenkomsten hebben gesloten en zij die krachtens hun verleende bevoegdheid om op zich zelven te staan geen beroep, ambacht of bedrijf uitoefenen door de zorg van het bestuur, naar gelang hunner krachten en geschiktheid worden te werk gesteld bij gouvernements plantages of werken van algemene nut.
    § 5. dat zij, die ouder dan zestig jaren zijn, en kinderen van twaalf tót vijftien jaren in verhouding hunner krachten en bekwaamheden, ligter arbeid verrigten.
    § 6. dat kinderen tot en met den ouderdom van twaalf jaren niet van de Moeders mogen gescheiden worden, terwijl kinderen van 12 tot 15 jarigen ouderdom ook gescheiden van de Moeder arbeiden.

    N.B. Er staat nergens dat de vrijgelaten vrouwen de plantages niet mochten verlaten en in feite aan de plantage gekluisterd waren. De vrijgelaten vrouwen zijn op dit punt onjuist behandeld (belazerd) door de plantage directeuren. Kennelijk is dit gedaan om de mannelijke relaties van deze vrouwen op een kunstmatige manier aan de plantage te binden.
    Voorbeeld; een chineeswiens contract was afgelopen huwde een zwarte vrouwen wilde samen met haar een winkel in Paramaribo beginnen. De Chinees mocht vertrekken. De zwarte vrouw niet. Dat mocht pas op 1 juli 1873. De chinees kon dit probleem natuurlijk niet begrijpen.
    V DE HOOFDSTUK.
    Algemeene bepalingen.
    Artikel 25.
    Het godsdienstig en schoolonderwijs wordt van staatswege aangemoedigd en zovel mogeelijk ondersteund.
    Art. 26 Tot het bezitten en dragen van wapenen kan aan de onder staatstoezigt geplaatsten en de volgens deze wet aan te voeren veld- en plantagearbeiders alleen in bijzondere omstandigheeden vergunning worden verleend.
    Art:27. Met uitzondering van strafarbeid wordt alle, arbeid op gouvernementsplantages of bij werken van algemeen nut tegen loon verrigt, dat even als de arbeid zelf van gouvernementswege bij tarief wordt geregeld. De bepalingen van dat tarief gelden ook voor plantage-arbeid ten behoeve van bijzondere personen, ingeval bij overeenkomst geene anderen bedingen zijn gemaakt. Een werkdag wordt berekend op acht uren arbeids in het veld en 10 uren arbeids binnen de gebouwen en een werkjaar op drie honderd werkdagen.
    Art 28. Wanneer voor militaire en andere transporten ten behoeve van de algemeene dienst of voor werken van algemeen nut geen vrijwilligers tegen billijk loon kunnen, worden verkregen, is het bestuur bevoegd ,om de onder het bijzonder staatstoezigt geplaatsten van en met 15 tot en met 60 jarigen ouderdom, zoowel als alle andere veld- en plantagearbeiders daartoe op te roepen,
    Art.; 29. Lediggang en zwerverij zijn strafbaar volgens de bestaande en nader vast te stellen algemeene verordeningen.
    Art 30. De eigenaren zijn verpligt om nog gedurende uiterlijk drie maanden na de Opheffing der slavernij huisvesting te verleenen aan de zoodanigen hunner gewezen slaven, die daarin niet hebben kunnen voorzien. Zij kunnen zich echter van die verpligting ontslaan door betaling der kosten van huisvesting elders ten genoege van den met het staatstoezigt belasten ambtenaar.
    Daarentegen zijn die vrijgemaakten gehouden tot het verrigten van minstens vier dagen arbeid per week, ten behoeve, van degenen, bij wien zij inwonen.
    Art. 31. Het te werk stellen of huisvesten van, hen , die onder staatstoezigt zijn geplaatst zonder wettige overeenkomsten is strafbaar met geldboete, in vorderbaar bij lijfsdwang, overeenkomstig daaromtrent te maken algemeene verorderningen.
    Art. 32. Vanwege het bestuur wordt gezorgd, dat er voor hen die onder staatstoezigt zyn geplaatst, gelegenheid zij tot geneeskundige hulp en van zieken
    op de plantages, door verordeningen regelende de verpligting der huurders om te voorzien in behoorlijke ziekenlocalen en in voldoende geneeskundige behandeling en verpleging,
    en elders door het daarstèllén, voor zooveel noodig, van hospitalen
    Zij, die krachtens bestaande – verordeningen , wegens besmettelijke ziektèn uit’ de zamenleving , zijn verwijderd worden voortdurend op kósten, der kolonie in daartoe bestemde inrigtingen verpleegd.
    Art. 33.’ Op den huurder van onder staatstoezigt geplaatsten rust de verpligting om voor hen en hunne gezinnen te voorzien in geschikte woningen en voorts om aan hen de vereischte gronden ten gebruike af te staan tot het telen van voedingsmiddelen voor eigen behoeften alles in overeenkomstig met nader vast te stellen verordeningen.
    Art. 34. De vrijgemaakten, die niet op plantages zijn te werk gesteld, voorzien voor eigen rekening in huisvesting en geneeskundige behandeling, zoo van hemzelve als van hun gezin, indien bij het sluiten der overeenkomst tot werk of dienst niet anders is bedongen.
    Art. 35. Het bestuur belast zich, zooveel noodig, met de huisvesting van onverzorgde weezen en andere hulpbehoevenden. Ter tegemoetkoming in de uitgaven hiervoor gevorderd zijn de vrijgemaakten die in de termen vallen overeenkomsten te sluiten alle veld- en plantage arbeiders en zij die volgens artikel , 24 B, § 3, als patentpligtigen beschouwd worden aan eene jaarlijksche belasting onderworpen, de mannen van f 3 en de vrouwen van f 1,50. Deze belasting wordt bij den aanvang van het jaar door de huurders in s’ lands kas gestort en in den loop des jaars door hen van het loon der arbeiders ingehouden,
    en door de patentpligtigen en andere op zich zelf staanden, bij de uitreiking van het bewijs, in bovengemelde §3- bedoeld.
    Art. 36.
    De straffen op het niet nakomen der overeenkomsten zijn:
    Voor den huurder: boeten, te verhalen bij lijfsdwang met of zonder vernietiging van de overeenkomst; in het eerste geval tegen schadeloosstelling, zoo daartoe termen bestaan;
    voor den arbeider:
    a. boeten, en bij niet betaling daarvan, korting op loon; ‘ .
    b. strafarbeid aan de openbare werken. Alles overeenkomstig daarvoor te maken verordening, waarbij tevens de bevoegde regter aangewezen en de wijze , van procederen omschreven wordt.
    Art. 37. De gouverneur van Suriname behoudt, in buitengewone gevallen de bevoegdheid, hem toegekend bij art. 78 van het reglement op het Beleid der Regering in de kolonie Suriname, vastgesteld bij koninklijk besluit van 9 Augustus 1832 no. 89 (Gouvernementsblad no 13).
    Art.’ 38. Uitgaven uit deze wet voortvloeijende worden niet gedaan dan nadat de daartoe vereischte sommen bij de wet zijn toegestaan.
    Art. 39. Jaarlijks, te beginnen over 1863, wordt door Onzen Minister van Kolonien aan de Staten Generaal gezonden een verslag omtrent de uitvoering aan de tegenwoordige wet gegeven.
    Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriele Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, – wien zulks aangaat aan de naauwkeurige uitvoering de hand- zullen honden. ”
    Geheven te Wiesbaden; den 8n. Augustus 1862.
    WILLEM
    De Minister van Kolonien
    Uitgegeven.den twee en twintigste Augustus 1862.
    De directeur van het kabinet des konings
    De Kock.


    Maak melding

  2. Als je de wet goed gelezen hebt kom je tot de conclusie dat deze wet een koloniale wet is, zoals vele andere wetten , die Suriname nu eens eindelijk moet gaan veranderen.
    Het eerste wat opvalt zijn de bezwaar- en beroepsmogelijkheden , die voor de zwarten in deze wet volledig ontbreken.
    Voor de plantage-eigenaren waren er volop bezwaar en beroepsmogelijkheden in deze wet verdisconteerd, maar voor de zwarten ontbreken deze. De vraag rijst waar de zwarte vrouwen en mannen, bij niet naleving van deze wet door de plantage-eigenaren, hun klachten konden indienen.
    Deze wet is dus in mijn ogen een belazer-wet voor de zwarten.


    Maak melding

  3. N.B. Ten bewijze dat de Surinaamse geschiedenisboeken afwijken van de Nederlandse (er mochten geen negatieve dingen gepubliceerd worden over Nederland en het koninklijk huis) een stuk over de begrafenis van koning Willem de 3e, wat in de Surinaamse geschiedenisboeken ontbreekt.

    De bizarre begrafenis van koning Willem III

    DOOR: Enne Koops – LAATSTE UPDATE: 23 NOVEMBER 1890
    Op 25 november 1890 stierf koning Willem III (1817-1890), na een beroerte gehad te hebben. De koning stond ook wel bekend als ‘Koning Gorilla‘, vanwege zijn opvliegende karakter en losbandige levensstijl. Op 4 december vond de begrafenis van de vorst plaats, maar die liep anders dan gepland. Bizar genoeg ging bijna alles verkeerd tijdens de uitvaart van Willem III.
    Koningin Emma, de tweede vrouw van Willem III – Willems nicht Sophia van Wurtemberg (1818-1877) was zijn eerste (ongelukkige) vrouw – besloot om de begrafenis wat vroeger te plannen om het feest rond Sinterklaas niet te verstoren. Daarom vond de uitvaart op 4 december 1890 plaats. Het was een koude en gure dag…

    Te zware kist

    Een eerste probleem
    waar men tijdens de begrafenis tegenaan liep, was de té zware kist. Omdat de koning nogal corpulent was, bleek het houten gestel waarin zijn lichaam zat niet te tillen. Daarom sleepte men de kist maar over de grond. Dit maakte natuurlijk een irritant geluid, zo herinnerde C.H.F. graaf Dumonceau (1827-1918), de particulier secretaris van Willem III, zich. Het vreemde geluid…

    …leek op een smartenkreet.

    Vervoer van Den Haag naar Delft: lastige paarden

    Volgens De Maasbode (5 december 1890) hadden zich in de residentie Den Haag en in Delft, waar Willem III in de Nieuwe Kerk bijgezet zou worden, tienduizenden toeschouwers verzameld. Volgens de krant kostte de begrafenis van Willem III circa 300.000 gulden. Tijdens de ceremonie in beide steden waren talloze zakkenrollers actief. Veel mensen raakten kettingen, gouden horloges of hun portemonnee kwijt, zo meldde de krant. Maar hoe verliep de begrafenis zelf?

    Bij het formeren van de rouwstoet ging het al verkeerd. Er bleken te weinig koetsen te zijn, zodat meerdere adellijke aanwezigen bij elkaar in de koets gepropt moesten worden. De groothertog Nicolaas van Rusland werd, tot zijn grote woede, bij de aartshertog Frederik van Oostenrijk en nog twee prominente vorsten in de koets gepropt. Toen daarna de rouwstoet in beweging moest komen, hadden de paarden er geen zin in. Ze weigerden een voet te verzetten, waardoor de rouwstoet uit formatie raakte.
    Tijdens de reis door Den Haag zelf, in de Wagenstraat, ging er bij een van de koetsen iets mis met het voorspan, dat het tuig stuksloeg. Hierdoor moest betreffende koets door 4 in plaats van 6 paarden verder getrokken worden, zo meldde De Haagsche Courant.

    Verder stortte er op de Rijswijkseweg nog een tribune in, met enkele tientallen gewonden tot gevolg.

    De Nieuwe Kerk, Delft: foutjes dominee en organist

    In de Nieuwe Kerk in Delft begon de bejaarde hofpredikant C.E. van Koetsveld (1807-1893) te vroeg met zijn betoog, terwijl er nog gasten binnenkwamen. En de ongeveer even oude organist Kersbergen was zo zenuwachtig, dat hij in muzikaal opzicht ruzie kreeg met het orgel…
    Vanwege de mislukkingen en onnodige fouten tijdens de begrafenis van haar vader, besloot koningin Wilhelmina – die in 1890 tien jaar was – een protocol op te stellen om haar eigen koninklijke begrafenis in goede banen te leiden.

    Mijn verzoek: deze informatie ook in de geschiedenisboeken van Suriname op te nemen daar wij mogen weten hoe het verder is gegaan met de man die de slavernij in Suriname heeft afgeschaft.


    Maak melding

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.