Home Columns Elisabeth Moendi

Elisabeth Moendi [COLUMN]

20

Door Usha Marhé – Op 4 april 1883 vertrekt een boot uit de haven van Paramaribo naar Martinique, waar met een Franse boot de overtocht naar Saint-Lazaire wordt gemaakt. Aan boord bevinden zich 28 personen ‘behoorende tot de beide stammen der Indianen, de Boschnegers en Creolen’. De groep komt op 24 april in Bretagne aan en stapt daar op de trein naar Amsterdam, waar zij op 26 april arriveert.

Deze 28 personen zullen worden tentoongesteld op de ‘Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling’, die op 1 mei van start gaat en tot 1 oktober zal duren. Met de belofte dat ze koning Willem III zullen ontmoeten worden ze over de streep getrokken om naar Amsterdam te gaan. Willem III is beroemd in Suriname, hij heeft zijn handtekening gezet onder het besluit om de slavernij op 1 juli 1863 af te schaffen. De slaven krijgen hun vrijheid door de overgangsregeling van het tienjarig Staatstoezicht echter pas op 1 juli 1873.

De groep krijgt een plaats in een grote ronde tent op het Museumplein en wordt beschreven als ‘Surinaamsche inboorlingen’. Om ze te zien moeten de bezoekers een speciaal entreebewijs kopen, dat een kwartje kost. Voor die tijd is dat erg duur voor gewone mensen, maar toch komen zij in grote getale op deze ‘inboorlingen’ af om voor het eerst een groep mensen uit Suriname te bekijken.

“Niet alleen uit het oogpunt der groote zeldzaamheid, maar ook en vooral uit algemeen wetenschappelijk en ethnographisch oogpunt, verdient het gezelschap Surinaamsche inboorlingen […] groote belangstelling van geleerde en leek. De groep trekt dan ook reeds nu de aandacht van ethnographen en andere geleerden en de schedels van verscheidene inboorlingen zijn reeds door deskundigen met veel belangstelling onderzocht.” – Uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, 13 mei 1883.

Het Indiaanse (nu: Inheemse) deel van de groep bestaat uit dertien Karaïben en twee Arowakken. Kajaroe, zijn vrouw Alahakama en hun zesjarige dochter Awarahenne. Pierre Miharoe met zijn zoon en dochter. Majoe Koerana met zijn vrouw Maja Roekana en drie kinderen. De Arowak Johan Hi-A-Le is er zonder echtgenote, en Colle, de andere Arowak, zal de reis en de tentoonstelling niet overleven, hij sterft op 21 juli 1883. Maar de meeste aandacht van de bezoekers gaat uit naar Elisabeth Moendi, die “het meeste opzien … baarde”.

Roland Napoleon Bonaparte (1858-1924) is een van de onderzoekers die zeer benieuwd is naar deze ‘inboorlingen’. Hij legt ze voor antropologische doeleinden vast in een boek dat in 1884 is gepubliceerd: ‘Les habitants de Suriname: notes recueillies à l’exposition coloniale d’Amsterdam en 1883’. De historische foto’s uit zijn boek zijn op internet te zien. De foto van Elisabeth verklaart waarom zij zoveel aandacht trekt: zij is een beeldschone vrouw. Volgens de beschrijving is zij ‘23 jaar oud, geboren in Kolkata (Calcutta), gehuwd met een Kali’na of Karaïeb, woonplaats: Suriname.’ Zij is in gezelschap van haar dochter Henriette Moendi, die anderhalf jaar oud is. Ook van haar is een foto te zien. Henriette wordt beschreven als ‘Métisse Hindoue-Indienne’, gemengd Hindostaans-Inheems, zoals we nu zeggen.

Wie de 28 Surinamers als objecten zijn, kunnen we uit de beschrijvingen van de Europeanen halen, die de gekleurde mens als ‘anders’ zien, als inferieur aan de witte mens, als studieobject. Alle beschrijvingen zijn een spiegel van hoe de Europeanen in die tijd dachten. Ze zeggen niets over de personen zelf. Wie zijn deze 28 personen, wat is hun geschiedenis? Wie is Elisabeth Moendi als mens? Wat is haar geschiedenis?

Op 4 april 1957 wordt Michiel van Kempen geboren, in Oirschot, Nederland. Hij vertrekt in 1983 naar Suriname om er als docent te werken. Het land en de mensen zullen gaandeweg onderdeel van zijn emotionele en culturele genen worden. Zodanig dat Michiel en zijn echtgenote Elisabeth Leijnse zich op 1 oktober 1997 in Suriname laten registreren als ‘parate adoptieouders’, ‘voor het geval er zich een moeder met een kind aandient’. Dat gebeurt al gauw. Op 10 oktober wordt er gebeld: er is een zwangere vrouw die haar kind wil laten adopteren. Zij en haar echtgenoot willen de adoptieouders eerst ontmoeten. Dat gebeurt op 13 oktober. De moeder is Wilma Biswane, de vader Wilfred Pranawaré. Zij wonen te Akarani, zoals Bigi Poika in het Kalinha heet, de Karaïbse taal. Ze hebben al vijf kinderen en willen de zesde een betere toekomst geven. Zelf heeft Wilfred geen kans gehad om een opleiding te volgen, en de ouders willen deze nieuwe burger alle kansen geven. Beide partijen gaan akkoord met de adoptie, met de afspraak dat de ouders contact willen blijven houden en op de hoogte willen blijven van het leven van hun kind.

De verrassing is groot als er op 12 november een tweeling wordt geboren. De jongen wordt als eerste geboren, hij krijgt de naam Ruben Eziano. Eziano is afgeleid van het Karaïbse woord ‘sjano’, moeder, en betekent ‘kind van een moeder’. Vijf minuten na hem komt zijn zusje op de wereld, zij krijgt de naam Monica Miano. Miano als Karaïbse naam die ‘meiske’ betekent. Kort na hun geboorte vertrekken de kinderen met hun adoptieouders naar Europa.

Op 4 april 2006 zijn Ruben en Monica voor het eerst weer terug in hun geboorteland, om hun biologische ouders te ontmoeten. Wilma en Wilfred hebben acht jaar en vier maanden lang via brieven en foto’s kunnen volgen hoe hun kinderen in Europa opgroeiden. Nu is het zover dat ze elkaar kunnen zien, horen en omhelzen. De kinderen rijden met hun adoptieouders naar Bigi Poika, waar het gezelschap buitengewoon hartelijk wordt ontvangen door Wilma en Wilfred, de vijf broers en zussen van de tweeling en door de rest van de familie. Het is een feestelijke dag, voor iedereen.

Zij maken kennis met opa, de vader van Wilfred, en gaan naar de begraafplaats waar oma ligt begraven, die net twee weken geleden is overleden. Op diezelfde begraafplaats is de moeder van opa begraven, Carolina Joeroemé, ze was 105 toen ze overleed. Tante Wiesje is een zus van opa, ze wordt Oma Foto (Oma Stad) genoemd, omdat ze in de stad is geboren. Michiel vliegt op 22 april met Ruben en Monica terug naar Europa, zijn vrouw Elisabeth blijft nog drie weken in Suriname, voor haar werk. Als zij daarna met Michiel en de kinderen is herenigd, vraagt ze aan Michiel of hij ooit van Elisabeth Moendi heeft gehoord. Nee, dat heeft hij niet. Maar hij weet toch wel van de Wereldtentoonstelling in Amsterdam van 1883? Ja, dat weet hij, en hij kent ook het boek van Roland Bonaparte. “Welnu”, begint Elisabeth, en ze legt hem daarna uit hoe het komt dat Ruben en Monica de achterachterkleinkinderen van Elisabeth Moendi zijn.

Elisabeth Moendi moet in 1860 (Calcutta, India) zijn geboren, want ze is 23 jaar als ze op de expo in Amsterdam wordt tentoongesteld. Ze was toen al tien jaar in Suriname (volgens onderzoek van Michiel), en moet dus in 1873 als dertienjarige naar Suriname zijn gekomen. In de historische database met gegevens over de contractarbeiders die van het toenmalige Brits-Indië naar Suriname werden gebracht, komt er maar één naam voor die op de hare lijkt: Moondy. Bij die naam staat er maar één notitie: dat deze persoon arriveerde met het schip Bengal, de rest van de gegevens is verloren gegaan. Dat schip was het tweede schip dat rond de afloop van het tienjarig Staatstoezicht met nieuwe arbeiders voor de Surinaamse plantages arriveerde. De eerste was de Lalla Rookh, dat op 5 juni 1873 aan kwam, na een reis van drie maanden. De Bengal legde op 8 juli 1873 aan, met vijfhonderd mensen aan boord.

Moendi is waarschijnlijk de vernederlandste versie van Moondy, hoe ze aan de naam Elisabeth komt is onbekend. Zij had een Indiaanse (Inheemse) echtgenoot en kreeg drie kinderen met hem, twee meisjes en een zoon: Henriette, Francine en Evert Pranawaré.
Evert trouwde met Carolina Joeremé, zij is de oudste vrouw die het dorp Bigi Poika ooit heeft gekend. Zij kregen kinderen, waaronder tante Wiesje (Oma Foto/Oma Stad) en opa, de vader van Wilfred, die de vader is van de tweeling. Wilfred lijkt zoveel op een hindostaan, dat zijn bijnaam ‘Baba’ is. Het standbeeld van de man en de vrouw, die de aankomst van de eerste Indiase contractarbeiders in Suriname symboliseert, heet ‘Baba en Mai’.

De cirkel is rond. Honderdrieëntwintig jaar nadat hun betovergrootmoeder in een schip de Surinaamse haven uitvoer om in Europa te worden tentoongesteld, vertrekken Ruben en Monica in een vliegtuig uit Europa naar Suriname om daar voor het eerst hun familie te ontmoeten. Ze lopen op blote voeten in Bigi Poika rond, misschien wel over dezelfde zandkorrels die Elisabeth Moendi voelde toen zij in datzelfde dorp woonde en er ook op haar blote voeten rondliep.

(Noot: de meeste informatie uit deze column komt uit het essay van Michiel van Kempen: ‘Ziende, maar op de tast. Een verhaal dat 123 jaar wil overbruggen.’ Gepubliceerd in het boek Vreemde aanrakingen, Inez van der Spek [red.], 2007.)

20 REACTIES

  1. Armand
    "De foto van Elisabeth verklaart waarom zij zoveel aandacht trekt: zij is een beeldschone vrouw." "Wie de 28 Surinamers als objecten zijn, kunnen we uit de beschrijvingen van de Europeanen halen, die de gekleurde mens als ‘anders’ zien, als inferieur aan de witte mens, als studieobject." Iemand inferieur en beeldschoon vinden zeer tegenstrijdig. Dat ze beeldschoon was, is een constatering van de schrijfster.
  2. Prem Girjasing
    Mw. Usha Marhé , hartelijk dank hiervoor; Historische onthullingen die ik eerder niet wist. Ik ben deze foto wel regelmatig tegen gekomen in de foto sessie van dhr. Carl Haarnack maar wist niet dat er zo een big story hierachter zat. Hopelijk dat prof.Choennie dit ook moge l;ezen .zoniet dan zal ik hem wel hierop attenderen. Uw bijdrage is absoluut van heel groot belang voor de volgende verschijning van zijn reeks.; Nogmaals hartelijk dank en is voor mij zeer leerrijk en waardevol.
  3. Carry-Ann Tjong-Ayong
    Fantastische column Usha, ik ben dol op zulke verhalen die de geschiedenis van herkomst van mensen op boeiende wijze terughaalt. Ook omdat ik al enige tijd onderzoek doe naar mijn eigen herkomst en die van mijn familie. Dat zul je in januari 2015 in het JHM tegenkomen. Prachtig die cirkel die 123 jaar omspant en waarin we bekenden tegenkomen.
  4. Gerda Brown
    Usha, wat een prachtig verhaal, ik had wel van de tentoonstelling gehoord .Gewoon kippenvel om te horen/lezen hoe het verleden en het heden in mekaar stromen.En toch zijn er mensen die zo anders naar hun verleden kijken. Proficiat, verras ons met nog meer met dit soort verhalen .
  5. Mujrim
    Hoe komt een Hindoestaanse aan een Indiaanse man en in welke taal communiceerden zij met elkaar? Waren ze misschien beiden bekeerd tot het christendom door de pater-honden en aldus van hun cultuur, godsdienst, gewoonten en mensen van hun eigen gemeenschap afgesneden? Dus die honden experimenteerden er flink op los met echte mensen zonder aan de gevolgen te denken. De Kerk zal wel graag hebben willen weten of er een duivel ontstaat indien je een Asian Indian kruist met een Red Indian. Echte honden, die lieden van de Kerk.
  6. Ernestine Comvalius
    Geweldig verhaal met zovele wendingen. Weer mooi geschreven zoals vooral Usha dat doet. Historische feiten en reeds gepubliceerde verhalen op zo'n manier beschrijven dat je het niet meer vergeet. Het schaamteloze te kijk zetten van onze voorouders en de mooie manier waarop de bloedlijn naar het bekende heden wordt ontrafeld. Bijzonder!
  7. Drs.Ir. Rabin Gangadin, Ph.D
    Mensen die zich wensen te verdiepen in het wetenschappelijke aspect van de Surinaamse letteren stuiten onverwijld op de roemruchte publicatie van Michiel van Kempen die onder de titel: Een Geschiedenis van de Surinaamse literatuur in twee lijvige delen werd uitgebracht. Aan dit proefschrift werd in 2006 de leerstoel Caraibische letteren aan de UvA gekoppeld die door Van Kempen mocht worden bezet. Binnen enkele ogenblikken was deze toen nog kersverse hoogleraar omringd door aspirant promovendi die naar verluidt een promotievoorstel indienden dat de omtrek van een A-4tje niet had overschreden. In normale omstandigheden bestrijkt een promotievoorstel ca. 32 pagina’s en moet tegelijkertijd een synopsis vormen van het gehele promotieonderzoek. Anno 2014 kwam de Utrechtse lokale radio SBS erachter dat de in totaal vijftien promovendi bij hem niet meer kunnen promoveren. De reden betreft een verscherpte controle op Van Kempen , inhoudende dat die niet meer te lichtvaardig over een proefschrift mag oordelen. Hij had dat namelijk wel gedaan met het proefschrift van Cynthia Abrahams die bij hem promoveerde op de poëzie van de Surinaamse revolutionaire dichter, Ravales Dobru. Een proefschrift over poëzie bevat doorgaans een degelijk uitgewerkte poëzieanalyse, zoals die zichtbaar is in het proefschrift van Wiel Kusters die promoveerde op de poëzie van Gerrit Kouwenaar en verder in het proefschrift van Jaap Goedegebuure die promoveerde op de poëzie van Marsman. In het proefschrift van Cynthia Abrahams kom je als lezer heleboel politieke uitweidingen tegen omdat Dobru ook politicus was maar nergens in de dissertatie is de poëzie van Dobru literair geanalyseerd. Het proefschrift Een Geschiedenis van de Surinaamse literatuur bevat reeds in eerste oogopslag uitsluitend archiefgegevens over de geschiedenis van de Surinaamse literatuur en was reeds eerder in Suriname verschenen in een vijfdelige editie. Redenerende vanuit de totstandkoming van dit proefschrift dat in Nederland opnieuw in maar twee delen werd uitgebracht , kan Van Kempen vooraf nooit een promotievoorstel hebben geschreven en dat er beoordeling hebben voorgelegd aan enig promotor. Van Kempens’ dissertatie getuigt in wetenschappelijk opzicht niet van een vooropgezette doortimmerde theorie of hypothese die getoetst zou kunnen worden in een kwantitatieve-en kwalitatieve-achtige setting. Evenmin laat hij zien dat hij gewerkt heeft met een groot aantal vergelijkbare onderzoeksobjecten, test- en controlegroepen. Hoogleraar Etty Hillesum die in de NRC een extensieve recensie wijdde aan deze publicatie oordeelde erover op dezelfde wijze zoals een Hollander een portie Surinaams eten lekker vindt en daarbij niet eens in de gaten heeft dat het misschien ranzig is. Dit krijg je als je logerend in het Surinaamse archiefbureau berghoge aangevreten krantenstukken, vergeelde dossiers etc. letterlijk zit over te pennen. Er ontbreekt er reeds bij eerste oogopslag een hoofdstuk in over de gehanteerde onderzoeksmethode en één over de theoretische verantwoording. Hoewel hij één van de vijf delen gewijd heeft aan de theorievorming, staat dit deel er helemaal als los zand bij. De verzamelde veldgegevens zoal daar op enigerlei wijze sprake van mocht zijn, zijn in het proefschrift op geen enkele wijze wetenschappelijk geadstrueerd. Tot slot zijn alle stellingen zoek waardoor de vraag rijst wat er aan nieuws/ongekends door Van Kempen onderzocht is geweest en vooral wat hij verdedigd heeft. Het ontstaan van zijn proefschrift: Van Kempen die gelijk een haai die na het ruiken van bloed desastreus op zwemmers afstevende , verzwolg in Suriname in de draaikolk van populariteit die hij kreeg toebedeeld door de eigen-volk-minachtende Surinamers en werd daarbij ook terecht overmand door het idee dat hij,zoals Columbus Amerika ontdekte, op zijn beurt Suriname had herontdekt. Toen hij bij zijn inventarisatie van Surinaamse schrijvers een enkeling tegenkwam die met diens kwaliteiten boven zijn voorop gestelde verwachtingen torende , nam hij zich voor deze in naam van protesterende en diep gekwetste Surinaamse schrijvers en dichters zodanig te compromitteren waardoor het erop zou gaan lijken dat alles wat deze persoon geschreven had, niets anders zou voorstellen dan een ordinaire diefstal van andermans werk. Van Kempens ‘ proefschrift is niet alleen een bolwerk van ordinaire letterdieverij, het is eveneens gespeend van wetenschappelijkheid. Het ontbreekt er in aan een theoretische beschouwing terwijl de toegepaste onderzoeksmethode zich ver laat zoeken. Van Kempen is duidelijk besmet geraakt door het gezonde Surinaamse drang tot zelfontplooiing, tot het neurotische verworden tot een goewweldige man. Met dit proefschrift dat overal iets van weg heeft behalve van een wetenschappelijke-, op de linguïstiek gegrondveste studie, benadrukt Van Kempen de totale breuk tussen zijn eigen intellectuele ontwikkeling en de fundamentele driften van de steeds naar geldingsdrang snakkende Surinaamse schrijvers, die een niet aflatende dwang hebben voor het voetlicht te willen staan, ook al hebben ze niets voor te dragen. Van Kempen had al gepland dat hij van het tot nog toe braakliggend literaire moeras van Suriname zijn levenswerk zou maken en overnachtte zelfs in het Surinaamse archief bureau. De engste kakkerlakken werden er zijn trouwste huis- en bondgenoten. Na voltooiing van het ene werk volgde de andere. Hij besprak alles en een ieder, zelfs de kruidenier die zijn koopwaar in de ogen van Van Kempen in een vrij literaire/poëtische stijl had aangeprezen. Zijn populariteit deed op een gegeven moment zelfs de triomfantelijke blik in de ogen van het standbeeld van Kwakoe, waarin de Surinaamse geschiedenis zich een vrijheidsstrijder heeft vergist, verdoezelen. Deze actie resulteerde in een essay over Surinaamse scribenten en schreeuwlelijke dichters waarin de curricula vitae veel omvangrijker bleken te zijn dan de gekleurde en tendentieuze analyses van de werken van de auteurs; verder in literaire tijdschriften als De Gids, Armada, de Tweede Ronde, Streven, Deus Ex Machine, etc. die bol stonden van alles wat gefrankeerd was ingezonden of tijdens een literaire avond samen met een zakje Telo in de jaszak van Van Kempen was gedouwd. Tot slot in diverse gefiltreerde en van weinig inspiratie getuigende bloemlezingen van werken van auteurs, die Van Kempen een warm hart toedragen, nooit iets lelijks over hem schrijven etc. Van Kempen grootheidswaan werd vanuit Suriname steeds gevoed door het feit dat men hem steeds lauwerde met prestigieuze literaire prijzen, waaronder de Rahman-Khanprijs, een evenknie van de Nederlandse PC-Hoofdprijs. Ten aan zien van zijn eerdere publicatie `De Surinaamse literatuur (1970 - 1985)', was een ieder het er onverdeeld over eens dat tegenover Van Kempens essay dat qua grafische vormgeving in bijna hetzelfde jasje gestoken leek te zijn als dat waarin de gewezen Surinaamse president Venetiaan zich vertoonde, alle andere soortgelijke publicaties qua diepgang, analyse en afwerking kwamen te verbleken. Hij heeft in dit werk opeengehoopt wat er zelfs aan vingeroefeningen binnen de Surinaamse literatuur bedacht en uitgeprobeerd is. Verder nam hij al degenen, zoals ondergetekende, die zich niet het allerbeste lieten ontvallen over de door hem herontdekte Surinaamse literatuur, genadeloos onder vuur. Men zou bijna kunnen denken dat Van Kempen dit alles gedaan heeft om middels bestrijding van alle pestilente ideeen en initiatieven, die hij persoonlijk als schadelijk interpreteert voor een volwaardige ontwikkeling van de Surinaamse literatuur, mensen die als 'verraders' z'n gezichtsveld binnenhuppelen,eruit te knuppelen (lees van hem zijn buitengewoon slecht geschreven pamflet 'Een knuppel in het doksenhok'). Desondanks is deze vlijtige Brabander ook niet wars van kleffe afgunst. Doordat Surinamers hem het idee gaven dat hij de enige is die in staat is gebleken iets over de Surinaamse literatuur te schrijven moest het in 1986 verschenen essay, getiteld De Surinaamse Literatuur van ondergetekende het voor ontgelden. Van Kempen reduceerde zijn het essay tot een schotschrift zodat alleen zijn publicatie voor volwaardig en wetenschappelijk kon doorgaan. Het tegenstrijdige is dat Van Kempen zich ten tijde van diens verblijf in Suriname een haast patriottisch gezinde fanatiekeling betoonde, terwijl hij na aankomst in Nederland de Surinaamse instellingen alwaar hij de goewweldige man mocht uithangen, in de Nederlandse periodiek BOEKBLAD ( 1984) afkraakte en door het slijk haalde. Zijn motto was: 'De mensen zouden er dom, onderontwikkeld zijn en gewoon niets begrijpen en snappen. Ze zouden overal op achter lopen !!'.
  8. lloyd
    Een mooi artikel, maar zoals het in die tijd van Willem 3 was is het nu niet. Die blanken in Nederland houden niet van ons omdat we teveel zeuren over het verleden. Laten wij onze eigen doden herdenken en niemand blijven beschuldigen.
  9. Mosho Mijt
    De blanken zagen negers als dieren. Toch neukten een heleboel van hen de mooiere negerinnen. Waarom deden deze blanken dan aan sodomie, aan seks met dieren?
  10. Dr. Roline Redmond
    Well done. We moeten zelf onze geschiedenis herschrijven op basis van research, feiten en oral history.
  11. passant
    Dit bovengenoemde stuk van Drs.Ir. Rabin Gangadin, Ph.D had ik al eerder gelezen, was er van op de hoogte en het is goed dat hij hiermee roemruchte publicatie van Michiel van Kempen als de persoon neutraliseert. Er is werk aan de winkel voor Surinamers om hun eigen letteren wetenschappelijk onder de loep nemen, onderzoek over doen en publiceren, waardoor hen bewaard wordt en door generaties erna geraadpleegd kan worden. Ondanks dat is het een mooi stuk van Usha Marhé. Deze tentoonstelling was bij mij bekend via dhr. Carl Haarnack, die een hele collectie Surinaamse boeken/bibiotheek bezit en online ook bekend is. T.a.v. het stuk van Usha Marhé kan ik zeggen dat zij met dit stuk ook duidelijk de eenheid in verscheidenheid verder analyseert en laat zien dat er in Suriname veel soorten gemengden bestaan, waarvan je niet zou weten hoe je ze een specifieke naam kan geven. Een mulat, een zambo, dogla enz ken men, maar er zijn nog veel meer soorten Surinamers. Het Surinaamse volk is dus ook bezig met kruisbestuivingen. Eenheid in vescheidenheid en door meer etnische relataties een gemengde groep Surinamers, niet alleen op grond van etnische afkomst, geloof, cultuur, talen enz. Surinamers die niet eens de talen spreken van de etniciteiten waar hun voorouders vandaan kwamen of de cultuur, zeden en gewoonten, maar ook een sterke europese of wereldmens zijn. Zich overal in kunnen herkennen, zaken die dichtbij hen staan en soms ook heel ver. Een kwestie van overleven, door de omstandigheden en de tijd en dan moet de soort zich aanpassen en verder gaan. God Zij Met Ons Surinamers
  12. Janny de Heer
    De geschiedenis van Suriname is zeer boeiend. Ik heb de column van Usha Marhé met interesse gelezen. Uiteraard had ik eerder over de wereldtentoonstelling gehoord en foto's gezien maar nooit eerder een persoonlijk verhaal vernomen. Op facebook ga ik haar column zeker delen want het is belangrijk om (waargebeurde) verhalen aan elkaar door te geven. Omdat via verhalen de geschiedenis zoveel gemakkelijker te onthouden is dan via harde jaartallen.
  13. Ram Singh
    Eigenlijk is de "human zoo exhibition experiment" nooit opgehouden te bestaan. Tot vandaag gaat het door in de vorm van zwarte piet de slaaf van sinterklaas.
  14. Drs.Ir. Rabin Gangadin, Ph.D
    De botte Surinaamse strijdbijl. De discussie over zwarte piet is niet gaan liggen en is bijgevolg weer opgelaaid. Naarmate de maand december beter van achter de horizonlijn gloort des te meer de strijdkreten met betrekking tot de afschaffing van sinterklaas het Nederlandse luchtruim vullen. Ik wil naar mijn landgenoten toe niet beledigend zijn maar alle Surinaamse protesten met een ietwat landelijk karakter kunnen qua gradatie en maatschappelijke relevantie niet eens boven de diepte van het krasje op een voetbal torenen. Onderwerpen die veel van de Surinaamse geestelijke energie vergen verdwijnen even snel van de agenda als toen die erop werden gezet.Een illustratief voorbeeld is de honderd procent controle van niet-blanke Surinamers op Schiphol op de vlucht tussen Amsterdam- Paramaribo. Er ontplofte maar één keer een mega Surinaams "oewwij " en viel er daarna een stilte zoals wij die enkel kennen in rauw- en meditatiecentra. Ik kan mij nog het zin- en inhoudsloze gesar van Surinamers herinneren tegen de invoering van het woord “allochtoon” voor niet-Hollanders. De eerste gedachte die de periferie van mijn brein binnen hupte was: “ Er moet maar gauw een creatieve en inventieve Surinamer opstaan die z’n Landgenoten betere protestthema’s ter hand moet stellen om hen zo van hun platitudes af te houden”. Toegegeven dat Nederland zo overvol is dat opvallen op een normale en fatsoenlijke manier er gewoon niet zit waarbij de enige weg die dan open staat die van de malle fratsen betreft desnoods middels het buikdansen met een ontblote schurftige onderbuik. Ik vind de immigratieviering en slavernijherdenking niets anders dan het geleiden van opgespaarde futiele emoties naar een geestelijk afvoerkanaal , bevattende stilstaand beschimmeld water, met de hoop dat er ook iets materieels in komt aandrijven. De beste distributeur van het koloniale erfgoed is de Surinamer zelf en niet eens de kolonisator. Deze laatste heeft enkel het concept en de maquette neergezet en de Surinamer heeft op basis daarvan zelf het officiële bouwwerk gerealiseerd. Niet zelden hebben Surinamers in een exuberante opwelling Hollanders erop gewezen dat zij het welvaart van hun land te danken hebben vanwege hun slavernij verleden en de roof van delfstoffen en edelstenen uit Surinaamse bodem. Anno 2014 leggen dezelfde roepers hun eigen landgenoten het strobreed in de weg wanneer zij in eigen land graag iets zouden willen realiseren en faciliteren zij buitenlanders waaronder ook Hollanders om in Suriname lucratieve bedrijvigheden te kunnen opstarten met de gillende Surinamers als loyale klandizie en kooplustige passanten om zich heen. Welke slavernij-herdenker is het hier niet mee eens? Niet allemaal tegelijk, a.u.b!! Terugkerend naar de slavernijkwestie moet bij deze worden opgemerkt dat het hele gesublimeerde gevoel van onrecht geen hout snijdt. Surinamers hebben in het land van herkomst zelf uitbundig het sinterklaasfeest gevierd waarbij zwarte piet ( in Suriname Pieter Baas genoemd) zich nog een keer zwart ging schminken. Elke Hollandse trek en/of attribuut in het Suriname van vóór de onafhankelijkheid welke men dacht zich eigen te hebben kunnen maken , werd gretig gebruikt om elkaar de loef af te steken. De wijze waarop Surinamers in die periode elkaar tergden en griefden met bijvoorbeeld de vermeende eclatante Nederlandse taalbeheersing , was in intensiteit niet eens zo heftig in Nederland toen de Hollander gepreoccupeerd raakte door de Surinaamse lexicale aberratie, de Surinaamse spraakklank die bij hem op de lachspieren werkte en de Surinaamse specifieke taalvormen die het onderwerp van gesprek werden in stamkroegen, kantine bezoeken , zogeheten taalonderonsjes etc. Staat de protesterende goegemeente hier weleens bij stil ? Niet allemaal tegelijk a.u.b. Een enkele gewezen Surinaamse magistraat repte ooit op de beeldbuis dat Nederland een rassenjustitie kent. Over de arbeidsmarkt zijn de feiten evident. Is dit niets voor de protesterende, in opmars geraakte Surinamers om te eisen dat de Nederlandse wetboeken teruggebracht zouden moeten worden naar het formaat en de omvang van Donald Duck, hetgeen Geert Wilders ook over de Koran zei? Juist in de wetboeken talmen er wetten die dateren uit de periode van de slavernij en die dan ook bedacht en verzonnen zijn geweest door bezopen, hallucinerende slavendrijvers die opstandige slaven met een hakbijl op zich zagen aankomen. Integere Nederlandse advocaten zeggen zelf dat allochtonen voor bepaalde misdrijven worden bestraft waar een blanke Hollander voor wordt vrijgesproken en dat allochtonen vaak zwaardere straffen worden opgelegd voor misdrijven waar hun Hollandse ambachtsgenoten er met een sissertje weg kunnen. Als er uit de samenleving opklinkt dat Nederlandse rechters te licht straffen dan bedoelen vaak de Hollanders ermee dat allochtonen voor het kleinste vergrijp het liefst zonder enig proces levenslang opgesloten zouden moeten worden. Zelfs sommige rechters en officieren van justitie delen deze visie, ook al moeten zij zich tussen hun zin in binnen de beperkingen handhaven. Het is uiteindelijk deze categorie rechters die aan een burn out lijdt en zich van haar levenslange benoeming distantieert om zich vervolgens met een riante regeling in een Aziatisch land te kunnen vestigen om zich er aan werkzoekende minderjarigen te kunnen vergrijpen.
  15. Jesse
    @Drs. Gangadin Wat een kromme redenering hanteer jij toch man. Om die vastgeroestheid van de blanken betreffende die Zwarte Pietje te kunnen aanvallen doe je een aanval op de immigratieherdenking en de slavernijherdenking. Je gooit ze op dezelfde hoop en maakt het verschil niet dat de een - Zwarte Piet - vanuit een rassensuperieuriteitsdenken ontstond en de ander - immigratieviering, slavernijherdenking - vanuit een gekwetsheid (afgestoten of minderwaardig behandeld als mens, als mens van een bepaalde ras en cultuur) ontstond. Het ene - Zwarte Piet, de ander een valse identiteit opplakken - is overbodig, het andere - herdenking van de eigen geschiedenis, de eigen identiteit zoeken - is zeer nodig. Jammer dat je het verschil niet ziet. P.S.: wat betekent Gangadin?
  16. Ram Singh
    @ dr ir Gangadin, Dus jou botte bijl logica is "two wrongs make a right" no? Zwarte piet is een combinatie in racisme van inferieure opinie + discriminatie + etc + etc over gekleurde mensen. Nederlanders moeten heel langzaam gaan begrijpen dat aan deze racistiese vertoning een einde moet komen. Geloof mij de KLM in NY gaat echt geen sinterklaas vieren met een zwarte piet. In 2014 is racisme niet langer acceptable. En dat is precies wat wij mischien moeten doen op 5 dec voor de Nederlandse Ambassade in Waschington DC vreedzaam demonstreren als zwarte pieten geketend als slaven. En dat krijgt de hele wereld te zien via CNN, Fox, BBC, Al Jazeera, Tele mundo in plaats van kleine protestjes die de nederlanders kunnen negeren. In London zou dit najaar een human zoo gehouden worden maar na protesten in London werd het alsnog geannulleerd. En daar past die zwarte piet show alsnog.
  17. Cynthia Kenswil
    Dankjewel Usha Marhe! Wat een prachtig verhaal en heel mooi verteld. Dit artikel trok mijn aandacht omdat ik enkele jaren geleden de roman van Steve Akkerman heb gelezen, welke handelde over de tentoonstelling in 1883 van de 28 Surinamers in het Rijksmuseum te Amsterdam. Zo mooi om nu dit van U te vernemen. Nogmaals bedanklt!
  18. Lucy
    Mooi verhaal.volgens mij ben ik een achter achter kleindochter van Elisabeth moondy. Heeft u nog meer informatie?
  19. W.H R. Nectar
    Hier met Willem H.R. Nectar, Elisabeth was mijn overgrootmoeder. Mijn vader Eugene M. Nectar was de kleinzoon.