Site Menu:
Het weer in Paramaribo
The real exotic Suriname softdrink!
Onroerend goed
Onroerend goed Suriname
Home: Special: Herdenking Decembermoorden

18 jaar na de decembermoorden; Fred Derby doet zijn verhaal

“Er was vlaggenparade, en na de vlaggenparade misschien een uur, 1 1/2 uur daarna werd de deur opengetrapt en er kwamen militairen zeer agressief naar binnen. Jij, jij, jij, jij en jij en ze haalden 5 mensen die naar boven moesten gaan. En die 5 waren dus eh, Rambocus, Sheombar, Cyrill Daal, eh, Slagveer en Kamperveen. Ze gingen naar boven bij Bouterse. En de mensen werden dus met huilen en schreeuwen en toestanden daar gebracht en eh, het duurde dus niet zo lang, daarna hoorde je dus schoten, repeterende schoten. Een aktiviteit die maakte dat wij die daar waren achtergebleven eh, zeer eh, emotioneel, waren. Je leven werd bedreigd, want de mensen gingen dood.”

Aan het woord Fred Derby, de enige overlevende van de slacht – en moordpartijen van 8 december 1982. Vandaag precies 18 jaar na dato, vertelt hij wat er die nacht van 7 op 8 december werkelijk gebeurde, gevolgd door de dag, middag en avond van 8 december 1982.

Achttien jaar hield Derby zijn mond over datgene dat zich afspeelde in het Fort. Slechts tegen Justitie deed hij zijn verhaal en tegen Kompas vertelde hij 2 jaar geleden ook summier wat er gebeurde. Maar nu vindt Derby het de juiste tijd om zijn verhaal goed te doen. In een openhartig gesprek met journalist Carlos Durham gaat Derby in op de gebeurtenissen vanaf het moment dat hij thuis werd opgehaald om half 3 s’nachts, 7 op 8 december tot aan het moment dat hij weer thuis werd afgeleverd, 9 uur s’avonds, 8 december 1982. - Foto: Fred Derby.....de enige overlevende van 8 december 1982.

Ook gaat Derby in op zijn beweegredenen het interview te doen, het nu op gang gezette onderzoek, de beschuldigingen van Bouterse in zijn richting, zijn partijgenoten en zijn partij, en zijn verwachting van het te volgen ‘Mega – proces’. Een overlevende vertelt.

“Ik werd door een zekere meneer Rozendaal opgehaald tussen 2 uur en half drie in de ochtend van 7 op 8 december. Hij deelde mij mede dat ik moest meegaan. Ik vroeg waarom, wie heeft mij laten halen. Ik kreeg te horen, ‘meneer Bouterse’. Ik reageerde door te zeggen ‘op dit uur van de nacht, dat is niet alleen onvriendelijk, maar dat doe je niet, dat past nergens in’. Maar meneer Bouterse had mij laten halen. En voordat ik de volgende vraag kon stellen was Rozendaal op mijn balkon. Aanvankelijk ging het gesprek tussen hem en ik vanuit het balkon waar ik stond en hij beneden. Nu was hij op het balkon en adviseerde mij op een hele rustige manier om mee te gaan. Intussen zag ik mensen, militairen, mijn erf opkomen, verspreid over het erf, terwijl de auto voor de deur stond.”

“Mij bleek al spoedig dat ik te doen had met 4 mensen. Eén in de auto, 1 op mijn balkon en 2 op mijn erf. Terwijl ik met hen sprak zag ik iemand de telefoonkabels snijden. Ik begreep dus dat wij te doen hadden met een ernstige situatie. En ik probeerde te zeggen dat ik mij klaar moest maken. Dat moest maar snel gebeuren. Ik was in mijn onderbroek, nu snel kleren aantrekken, een hemdje, broek, en toen moest ik maar gaan. Ik had nog geen schoen aan, maar toen moest ik maar gaan.”

“Maar dan weer zeer beleefd werd dat gemeld. De tijd vorderde en mijn dochter die boos werd dat haar vader het huis moest verlaten zonder een schoeisel was tenslotte nog in staat mij een schoen, tenminste een badslipper achterna te gooien vanuit het balkon, want ik was al beneden aangekomen.”

“In de auto aangekomen ontdekte ik dat de heer Roy Esajas achter het stuur zat. De heer, eh, de militair Ruben Rozendaal met wie ik het gesprek had gevoerd ging naast hem zitten. Ik moest achterin en naast mij zat Dijksteel. De vierde militair werd achtergelaten op mijn balkon. Achteraf hoorde ik dat hij iedereen in de voorzaal had laten komen. Mijn vrouw en de kinderen. De kinderen die niet wakker werden die werden met de UZI wakker gemaakt. Mijn jongste dochter Kitty Abaisa sliep nog. Iedereen moest daarna in de voorzaal zitten op de vloer, zodat hij dus overzicht kon hebben op de bewoners van het huis die op dat moment nog daar aanwezig waren.”

Derby verhaalt dat hij dus werd weggebracht in de auto, waar hij vragen probeerde te stellen. Hij wilde namelijk weten waarom hij was opgehaald en wat er aan de hand was. Maar de inmiddels enorm zenuwachtige vakbondsleider, kreeg geen antwoorden. Volgens Derby waren de militairen die hem hadden opgehaald en met de auto naar het Fort afvoerden zeer emotioneel en zeer zwaar bewapend. Zo zou men hijgen en was de ernst van de situatie duidelijk voelbaar.

“Je voelde dus dat het ging om een ernstige situatie, de bewapening, de kleding, etcetera. Het zijn mensen die ik toch wel, eens een keertje gesproken had minstens. Ik kende Roy Esajas, ik kende Ruben Rozendaal, ik kende ook Dijksteel naast wie ik zat. Maar ik mocht geen vragen stellen.”

Ondertussen was Derby bij het Fort aangekomen waar hij volgens eigen zeggen werd afgeleverd door Rozendaal aan de militairen, Baghwandas en Brondenstein. Die sommeerden hem zijn broek en zijn hemd uit te trekken. In zijn onderbroek werd hij vervolgens in een cel gezet. Derby meent dat de cel waar hij in terecht kwam de ruimte was, waarin gevangenen in het Fort kwamen als ze moesten luchten. Hij beschrijft de ‘enge ruimte’ waar hij urenlang doodsangsten heeft uitgestaan.

“De zaak had een ronde - of een ovale vorm en was van boven open. Dus als het regende werd je nat, wat ook gebeurde en als de zon schijnt, tja, dan is het weer zon. Toen ik binnen kwam waren er al 5 mensen daar.”

Dat bleken onder andere de 4 juristen te zijn, die reeds eerder dan Derby zelf waren opgehaald. Eddie Hoost, John Baboeram, Harold Riedewald en Kenneth Gonzalvez. Die waren al binnen en zaten tezamen met André Kamperveen daar vast.

“Het was donker. Toch kon je uitmaken wie er allemaal waren. Je mocht niet praten en we stonden verspreid. Staan, niet leunen, niet zitten, niet liggen, het was staan. En mensen werden vervolgens van tijd tot tijd verder naar binnengebracht. De laatste persoon die in die ruimte werd gebracht en dat was dus al 8 december s’middags, dat was Wijngaarde.”

Volgens Derby werden tussen half drie s’middags en 6 uur s’middags, kort vòòr de vlaggenparade, achtereenvolgens Cyrill Daal, Surendre Rambocus, Sheombar en Jozef Slagveer binnengebracht. In totaal waren zij dus met 11 mensen in ‘zijn cel’. Derby vertelt dat hij in de hele periode dat hij in het Fort had gezeten nooit de andere 5 slachtoffers heeft gezien of gehoord. Noch Lesley Rahman, noch de Sohansinghs, noch Bram Behr, noch Gerard Leckie heeft Derby in het Fort gezien. Die waren reeds veel eerder dan de rest opgepakt en waren ingesloten bij de Militaire Politie, de MP.

“Dus ik heb van de 5 anderen later begrepen dat die bij de Militaire Politie waren.” Die zouden ook als eerste moeten zijn gemarteld en zijn vermoord.

“Zoals ik al zei, mochten we niet praten. Het was fluisteren en dan nog heel zachtjes want de mensen die boven waren, letten op wat er beneden gebeurde.” Maar volgens Derby kwam er daar verandering in het moment dat Rambocus en Sheombar, ook in ‘zijn cel’ werden ‘geslingerd’.

“Rambocus en Sheombar zijn dus letterlijk binnengegooid. Vanaf Rambocus binnenkwam, werd de stilte verbroken. Hij ging protesteren en deed zijn zegje. Hij legde ons bovendien uit hoe laf Bouterse was.”

Rambocus vertelde zijn mede – gevangenen dat hij Bouterse ondertussen wel kende en dat deze wel weer met één of ander flutverhaal zou komen en zaken zou ensceneren. Hij wees de anderen erop dat zij er rekening mee moesten houden dat zij waarschijnlijk van het één of het andere zouden worden beschuldigd en misschien wel mensen hadden doodgeschoten. Ook dacht Rambocus dat de militairen onder leiding van Bouterse misschien wel granaten naar binnen zouden werpen in de cel, om allen op te ruimen.

Daarom instrueerde hij de mede – gevangen wat ze moesten doen bij zulke scenario’s. Dit zorgde voor grote problemen omdat de militairen die vanaf boven op het platform de wacht hielden, nu ook in een heftige - en zeer verhitte diskussie met de moedige Rambocus terecht kwamen. Die diskussie raakte steeds verhitter en Rambocus daagde de militairen uit. Hij zei hen dat ze allemaal gewoon lafaards waren en vroeg hen hem dan ook een wapen te geven.

“Geef mij een UZI en die laffe baas van jullie ook. Laat hij het dan met mij uitvechten. Laat die arme burgers gaan, die hebben er niets mee te maken”, tartte Rambocus de militairen. Dat was ook de reden dat de geoefende militair gruwelijk werd mishandeld en gemarteld vòòr zijn exekutie door Bouterse zelf, en op dat moment nog nauwelijks op zijn benen kon staan.

En dus anderhalf uur na de vlaggenparade van 6 uur s’middags, werd de celdeur opengetrapt en kwamen een aantal militairen zeer agressief naar binnen. “Jij, jij, jij, jij en jij, schreeuwden ze en wezen zij en haalden zij 5 mensen eruit, die die naar boven moesten gaan.” En daar wachtte het ‘zogenaamde tribunaal’ van Bouterse die verder bestond uit Paul Bagwandas en wisselend ook Roy Horb, die er bij was gesleept door Bouterse.

Maar het was Bouterse die bepaalde over het lot van de gearresteerden. Ook Derby kwam die bewuste middag tot 2 maal toe, voor ‘diens tribunaal’ en konstateerde dat het Bouterse was, die bepaalde wat er gebeurde. De 5 mensen die als eersten naar boven werden gebracht die middag waren Rambocus, Sheombar, Daal, Slagveer en Kamperveen.

Ze gingen naar boven in de kamer, waar Bouterse zat. Volgens Derby was het goed en precies te zien vanuit de cel, dat de arrestanten bij Bouterse in de kamer kwamen. Aangezien het toch de bedoeling was dat er geen overlevenden zouden zijn, maakte dat voor Bouterse niet veel uit. Derby beschrijft vervolgens waar het bureau van Bouterse stond in de bewuste kamer waar ‘diens tribunaal’ was.

“Natuurlijk wisten we dat omdat waar Bouterse zijn bureau was, als hij achter zijn bureau zat, dan zat hij met zijn rug naar het raam dat je van beneden af kon zien uit de cel.”

Bovendien kon Derby het nog eens bevestigen omdat hij zelf tot 2 keer toe naar dezelfde ruimte werd geleid , waar Bouterse achter het bewuste bureau zat. Derby vertelt wat er gebeurde nadat de eerste groep van 5 man uit de cel was gehaald en naar boven werd geleid.
- Foto: Hier zat Bouterse achter zijn bureau bij het uitspreken van zijn doodvonissen

“En de mensen werden dus daar met huilen en schreeuwen en toestanden gebracht. En dat duurde niet zo lang. Daarna hoorde je dus schoten, repeterende schoten. Een aktiviteit die maakte dat wij die daar waren achtergebleven eh, zeer eh, zeer emotioneel werden. Je leven werd bedreigd, want de mensen gingen dood. En, dat is het enige wat je wist en maar schreeuwen en schreeuwen en schieten en schieten. Dit verhaal hebben wij uitgebreid aan de Justitie vertelt.“

De eerst volgende keer dat de celdeur daarna weer openging was het de beurt aan Derby zelf, om toen nog voor de eerste maal voor het Tribunaal te verschijnen van Dési Delano Bouterse, door Eddie Daal (broer van Cyrill Daal) ‘God’ genoemd die dag, omdat deze beschikte over leven en dood. Dat gebeurde met veel verzet van de korte maar stevige vakbondsleider die alles er tegen deed, om zijn ‘zekere dood’, niet tegemoet te treden.

Derby: ”Ik moest naar boven gaan. U moet begrijpen wat er dan gebeurde om mij dus naar boven te krijgen. Het ging maar heel moeilijk. Met trekken en al, want ik ging zitten, ik ging zitten op de grond en klampte mij overal aan vast. We klommen uiteindelijk toch de trap op en ik kwam bij Bouterse.”

Volgens Derby begon deze direkt met zijn verhaal toen hij Derby boven was en voor hem ‘terecht stond’. Bouterse legde hem uit wat er op dat moment gebeurde. Terwijl Derby allerlei schoten en ontploffingen hoorde maakte Bouterse hem duidelijk, dat werd afgerekend met alle verzetshaarden van de Revolutie. Om hem te intimideren vertelde Bouterse aan Derby dat op dat moment radiostations, kranten, vakbondsgebouwen en dergelijken, werden opgeblazen.

Terwijl hij met Derby sprak of liever gezegd, Derby intimideerde, kwam Majoor Horb, toen nog Garnizoenskommandant binnen en Bouterse wees hem naar zijn plaats in het Tribunaal.

“Dus die 2 begonnen te praten. En ik maar aan het huilen en aan het praten en uitleggen en vragen van wat heb ik gedaan, waarom ben ik hier. Leg mij op z’n minst uit wat ik misdaan heb. Ik ben in geen enkele konspi, ik konspireer nooit, iedereen kent mij, eh, ik, ik, ik ben een open boek , ik leid mijn vakbonden, ik ben politikus, en eh , eh, nou het is een onbeschrijfelijke situatie, dus ik wil er verder niet op ingaan.”

Na een tijdje Derby aangehoord te hebben en te hebben horen smeken voor zijn leven, mocht deze plotseling, onverwachts, weer naar beneden gaan. “Ik werd voor de eerste keer afgevoerd. Dat is dus gebeurd.”

Derby vertelt verder dat hij en de andere mannen waarmee hij in de dodencel zat te wachten op hun exekuties, Bouterse 2 keren zagen weggaan uit ’t Fort overdag en s’middags.

“Na mij is ie dus voor de tweede keer weggegaan. Er werden geen mensen meer voor de rest, noch voor een korte tijd, dan wel voor een lange tijd uit die cel gehaald, totdat hij terug kwam. Toen waren Hoost, daarna Baboeran en, en, eh, eh, Kenneth Gonzalvez aan de beurt.”

Maar ook Hoost ‘overleefde de eerste ronde’ voor het Tribunaal van Bouterse en kwam terug naar de cel. “Die anderen niet meer”, aldus Derby.

Om een uur of 8 liet de ‘bevelhebber’, Derby weer boven komen. Hij liet hem staan in zijn kamer en vroeg daarop aan een dienstdoende militair om Majoor Horb te gaan halen. Horb woonde zelf in het Fort en was dus niet ver weg. Op een gegeven moment moest Horb het Tribunaal namelijk hebben verlaten, omdat hij het niet meer kon aanzien.

Horb kwam terug en Bouterse begon te praten en liet Derby zitten. Aan Horb deelde Bouterse vervolgens mede dat hij besloten had om Derby naar huis te sturen waarop Horb antwoordde, “goed.” Derby moest daarop zijn kleren gaan halen, aangezien hij al die tijd nog in zijn onderbroek rondliep. De kleren waren echter op het platform, waar de anderen koelbloedig en wreed waren geexekuteerd.

“Ga je kleren halen zei Bouterse en dus ik ging mijn kleren halen.”

Wat Derby echter aantrof op het platform deed hem met knikkende knieën terug gaan naar de ruimte waar Bouterse en Horb zich bevonden. Derby wilde een vraag stellen maar werd meteen afgesnauwd. Hij mocht geen vragen stellen. Horb stelde daarop aan Bouterse voor dat zijn lijfwachten, zijn veiligheidsmensen, Derby naar huis brachten. Bouterse antwoordde daarop dat het goed was, zonder verder op te kijken.

Maar Derby kon het Fort niet verlaten alvorens toch een poging te doen om de 3 anderen die nog in leven in de dodencel zaten, te trachten, ook het ‘vege lijf’, te redden. Hij smeekte of hij de gelegenheid kon krijgen wat te zeggen, anders zou hij het Fort niet kunnen verlaten. En Bouterse vroeg: “goed wat wil je weten.”

Derby vroeg daarop of de lichamen die hij op het platform had gezien toen hij zijn kleren was gaan halen, of dat lijken waren. Bouterse antwoordde dat hij dat niet mocht vragen. Daarop pleitte Derby voor de 3 nog in leven zijnde latere slachtoffers, Hoost, Wijngaarde en Riedewald.

Derby: “Ik zei, ik ben beneden geweest met 10 andere mensen. Er zijn 3 mensen nog daar en ik begon de namen te noemen. Hoost, Wijngaarde en Riedewald. En toen reageerde Horb door te zeggen “Hoost, Hoost nog???? Hoost hebben wij toch al afgewikkeld????” En Bouterse gaf hem daarop als antwoord, terwijl hij een een papiertje uit zijn zak haalde, ja, Hoost heb ik weer naar beneden gestuurd toen je er niet was.”

Toen Hoost bij het Tribunaal kwam, bleek Horb al te zijn vertrokken en waren slechts Bouterse en Baghwandas paraat. Derby vroeg toen aan Bouterse of de andere 3 tezamen met hem het Fort mochten verlaten. Hij werd echter afgesnauwd dat hij blij mocht zijn zelf nog te leven. Derby werd vervolgens afgevoerd. Hij mocht dus gaan. De veiligheidsmensen van Horb brachten hem weg nadat Horb hem zelf, naar de poort van het Fort had gebracht.

“Nou, ik moest alleen maar opletten. Het was avondklok dus opletten of ze me inderdaad naar m’n huis brachten, want dat was het enige ik eh, .....wat ik eh, dacht? Maar toen ik dus inderdaad zag dat ze de Gemenelandsweg, ingingen, en daarna, de Daniël Couthinostraat en dan mijn straat, toen wist ik dus dat ik thuis kwam. Want voor hetzelfde geld kon men mij uit het Fort halen en niet thuis brengen. Dat is gebeurd, dat is gebeurd. Ik dacht omstreeks 9 uur, 9 uur, was ik thuis”, aldus het relaas van Fred Derby over zijn ervaringen op 7 en 8 december 1982.

Maar voordat Derby het interview toestaat legt hij eerst uit waarom hij nu na 18 jaar wel bereid is zijn verhaal te doen.

“Het lijkt me goed om toch te zeggen waarom ik het doe ondanks het feit dat het geen pret is om iedere keer een zaak op te rakelen, die je niet graag oprakelen wil. Dit interview is een middel. Want het doel is om in een demokratische rechtsstaat, de rechtsgang z’n beloop te laten hebben, het recht z’n beloop te laten hebben. En dat mensen die buiten de schreef gaan, die buiten de oevers raken van wet en recht, dat die gestraft worden door dezelfde wet en door hetzelfde recht. We zijn van oordeel dus dat we een bijdrage moeten leveren, in de positie waarin wij ons bevinden om de waarheid aan de oppervlakte te brengen door middel van onderzoek, wat er precies is gebeurd op 8 december, en aangeven wie welke bijdrage heeft, aan deze lugubere moordpartij. Hierdoor kunnen wij op nationaal – en ook internationaal niveau een bijdrage leveren, tot de in standhouding van de rechtsstaat en de verdere uitbouw van die rechtstaat.”

“Vervolgens leveren wij een bijdrage om ‘t leed dat aan grote delen van die samenleving is toegebracht, aan de nabestaanden, de familieleden, de kinderen en vrouwen van de slachtoffers, te verzachten en kunnen wij een bijdrage leveren tot genoegdoening. En tenslotte, we vinden dat de wonden die geslagen zijn in deze samenleving, 8 december heeft de samenleving mede verscheurd, grote delen liggen hier en daar aan scherven, aan diggelen, moeten worden geheeld.”

“En we dachten dat het goed was om inderdaad een bijdrage te leveren tot onderzoek, vervolging en mogelijke berechting.”

Derby gaat ook in op beschuldigingen van Bouterse gedaan op diens perskonferentie als zou de reden waarom Derby niet dood is gemaakt op 8 december zijn, dat hij Derby, als mol heeft gewerkt voor de militaire machthebbers.

“Dat is een pertinente leugen van de heer Bouterse dat ik een rol zou hebben vervuld van mol. Ik weet niet hoe de rol van een mol zou kunnen worden vervuld door mij. Ik ben daar totaal ongeschikt voor. Ik heb de kwaliteiten er niet voor. Mijn karakter leent zich daar niet voor. Ik ben een open boek. Ik ben een publieke man. Ik ben vakbondsleider/ politikus, en ik leid de grootste vakcentrale hier in dit land. Ik ben dus publiekelijk bezig en ik leid de Surinaamse Partij van de Arbeid. Mijn leven is dus op straat. Ik kan dus nooit mol zijn geweest voor Bouterse.”

“Bovendien ik weet niet wat mijn belang zou zijn. En als ik een mol zou zijn, dan betekent dat, dat ik konspireerde, dat ik in een komplot met anderen zat, want ik bracht dan over wat die anderen deden. En dat kan niet omdat ik nooit mol zou kunnen zijn voor Bouterse in een komplot waar Behr in zat, waar Rahman in zat, progressieven als ik in zaten dus. Waar Eddie Hoost in zat, vrienden van mij, broers van mij, en een komplot om ze dus te verkopen om ze te laten vermoorden???? Hoost en ik zaten in dezelfde vakcentrale. Hij was mede – oprichter van mijn vakcentrale. We zaten in dezelfde politieke partij. Dus Bouterse is de kluts kwijt. En hij probeert dan mede mensen mee te krijgen dus die met hem mee moeten gaan.”

“Maar ik denk dat ik teveel wapenfeiten op mijn naam heb, om dit te loochenstraffen. Ik ben daar totaal ongeschikt voor. Ik wil er niet eens over praten. Dus ik kan geen mol zijn. Ik weet niet eens hoe dat moet gebeuren. Overigens als hij zegt dat het een CIA – komplot was tegen hem, dan betekent dat ik was samen met de CIA aan de ene kant om de dingen te brengen naar hem toe. En dan ben ik geweldiger dan die CIA mensen die niet konden ontdekken dat ik een mol was. Nee, daar praat ik niet eens over. Dat kun je naar het rijk der fabelen toeschrijven.”

De uitspattingen nu van Bouterse en de lage bij de grondse aanvallen op zijn direkte tegenstanders, Fred Derby, minister Siegfried Gilds van Justitie en Politie en andere toppers zoals de advokaat Gerard Spong, ziet Derby als een poging de afbrokkeling van zijn macht, te verhullen.

“De mazen worden strakker getrokken. De mogelijkheden worden kleiner. En de man weet dat het serieus is dat we van oordeel zijn dat in elk geval de waarheid aan de oppervlakte moet komen. De Nieuw Front – kombinatie heeft tijdens de verkiezingskampagnes gezegd aan de Surinaaamse bevolking, ‘we de zaak gaan onderzoeken als we winnen’. Als u ons de staatsmacht in handen geeft gaan wij daarmee ook deze zaak onderzoeken. Het elektoraat heeft gereageerd om ons 33 van de 51 zetels te geven, mede op grond van dit, deze intentie. Dus daar kunnen wij geen grappen mee maken. We moeten deze intentie verheffen tot beleidsdoel. Dat hebben wij nu gedaan en u ziet dus dat wij serieus bezig zijn om de lijnen uit te gooien, om tot onderzoek te geraken.”

Nu het Hof is begonnen met hoorzittingen en het OM het verzoek heeft gedaan om over te gaan tot vervolging lijkt Derby dat men in Suriname, op de goede weg is.

“Dat is gebeurd. Verhoren worden afgenomen dus u zult van meneer Bouterse, nog meer rare dingen meemaken. Toen de justitiële weg niet was ingeslagen en er was nog geen sprake van een procesgang, heeft Bouterse steeds een andere verklaring gegeven.”

“Eerst was het ‘ik heb de verantwoordelijkheid voor wat er gebeurd is op 8 december’. Dat was z’n eerste uitspraak. U moet nu goed letten op wat Bouterse zegt. ‘De verantwoordelijkheid berust bij mij’. Gaandeweg hebben rechtsgeleerden hem gezegd, dat hij die zaak genuanceerder moest brengen. Toen kwam het, ‘de politiek verantwoordelijkheid draag ik’. Dus de tweede fase die hij ingeslagen is. Politieke verantwoordelijkheid. En toen hij de politieke verantwoordelijkheid opeiste dacht Bouterse dat we de weg zouden opgaan van een waarheidskommissie, want dat suggereerde hij een aantal keren. Een waarheidskommissie alla Zuid – Afrika en andere landen.”

“Hij had niet kunnen bevroeden dat nabestaanden, het proces zouden opstarten bij het Hof. Ja, en dat de vervolging ook zou beginnen. Nu hij dus ziet dat de weg wordt opgegaan van inderdaad een strafproces, dan verlaat hij ook de aanvankelijke politieke verantwoordelijkheid. Hij wist van niks, hij was daar niet toen die moorden werden gepleegd. Ja, en hij gooit dan hier en daar beschuldigingen om mensen mee te krijgen en verwarring te stichten en aandacht te verdelen om niet gekoncentreerd en gericht te zijn op hem. Dat is wat hij doet.”

Derby wordt overigens al weer enige tijd bedreigd. Volgens Derby wist men dat hij na het ‘mol – verhaaltje’ van Bouterse zou reageren. Hij had een perskonferentie aangekondigd en ook gehouden, ‘waarop hij dus deze onzin van Bouterse, ontzenuwt heeft’.

“En gedurende die periode werd ik wel serieus en ernstig bedreigd. Die telefoontjes die ik niet zelf opnam, maar mijn veiligheidsmensen thuis bij mij. En dat heb ik dus ook onder de aandacht gebracht. Want als ik op de perskonferentie zou ontkennen dat ik een mol was, dan zou ik eraan gaan, mijn huis zou in brand worden gestoken, in de fik gaan dus en men zou mij maar doodschieten en toestanden. Die berichten kwamen dus van beneden bij mij naar boven. En ik heb dus de kommandant toen gevraagd dat aan de politie door te geven. En ik heb dat zelf aan de president doorgegeven die dat ook aan zijn veiligheidsadviseur heeft doorgegeven. Vanaf dat moment heeft de president de opdracht gegeven om de veiligheid bij mij op te voeren, en dat is dus dan ook gebeurd.”

Derby ziet deze bedreigingen duidelijk van Bouterse uitkomen.

“Dus hij heeft zijn leven te beschermen, moet hij in veiligheid stellen. Dus ik denk dat hij inderdaad ook mensen van wie hij verwacht dat ze de waarheid zouden kunnen zeggen inderdaad zal bedreigen en zelf, waar hij gewoon aan is, dat onderschatten wij dus niet, dat hij mogelijk dus fysiek mensen te lijf zou willen gaan en blijkbaar ook nog zal gaan doen”, waarschuwt Derby voor Bouterse.

Door het nu ingezette proces tegen Bouterse en mede – verdachten en het weer moeten verhalen van de gebeurtenissen van die gedenkwaardige dag in december 1982, komt alles weer naar boven bij de gedreven politikus.

“Ja, dus natuurlijk. Iedere keer wanneer er over gepraat moet worden en er over gepraat wordt, dan rakel je de zaak weer op. Maar het is geen pret, geen feest dat we aan het vieren zijn. Helaas niet. Want dat zou ik graag met u willen doen. Maar het gaat dus om mensenlevens, die op een zeer lugubere manier zijn genomen. Mensen hebben hun dierbaren verloren. We hebben wonden geslagen daarmede in deze kleine samenleving.”

Derby begrijpt dat opeenvolgende regeringen ondanks de wil niet in staat zijn geweest, om deze zaak eindelijk aan te pakken. “Maar het gaat erom dus dat je prioriteiten stelt, wanneer je tot onderzoek van een dergelijke zaak wil overgaan in een kleine samenleving als de onze.”

Dit proces zal de geschiedenis ingaan als een mega – proces meent Derby.

“De omvang van dit proces is niet te overzien. Nu al zijn 37 verdachten geweest. Blijkbaar zal die lijst worden aangevuld, dan weer zullen namen worden afgenomen. We hebben de ervaring er voor niet. Daarom heb ik gepleit reeds bij het begin, voor regionale – en internationale bijstand. Je zal dus de organen institutioneel moeten versterken die daarmee om moeten gaan. Je zal een stukje ervaring dat je niet hebt moeten invliegen. Dat alles moet gebeuren, wil je tot een heel goede rechtsgang en een eerlijke proces, met name een eerlijk proces overgaan.”

8 December blijft Derby achtervolgen en is een moeilijke dag voor de enige overlevende van de slachtpartij van Bouterse en konsorten.

“Wij trekken ons op 8 december daarom iedere keer terug. Op 8 december werk ik niet, ik ben alleen. Zo breng ik die dag door, heb ik die dag 18 jaren doorgebracht. Dus, je houdt je daarmee bezig ja. Je bidt en zeker op 8 december is het een dag van bidden ja.”

Toch heeft hij zich de afgelopen jaren niet schuldig gevoeld dat hij als enige van de 16 gearresteerden, 8 december heeft overleefd.

“Ik heb altijd zoiets gehad dat ik de nabestaanden kon begrijpen. Het was voor mevrouw Hoost beter dat Eddie was gebleven, en voor mevrouw Daal dat Cyrill was gebleven, dus voor iedereen. Voor mijn moeder was dat dus haar zoon. Ze is onlangs dood gegaan, maar ze bad ieder jaar voor de andere mensen en voor hun zielenrust, echt met momenten van hele grote devotie. In mijn familie blijven wij bidden voor de mensen. Het is niet zo dat wij eruit zijn gegaan. Wij hebben in het openbaar al een aantal keren gezegd dat als ik nu voor mezelf idealen zou moeten nastreven dit gemeenschappelijke idealen zijn met Hoost, met Daal, en met Rahman omdat ik niet geloof, dat ze aan het konspireren waren. Dus wanneer wij optreden nu dan weten we dat we ook voor die 15 die voor dezelfde idealen op deze manier zijn weggerukt van die samenleving, dat ik een stukje meer taak heb, meerdere taken heb te verzetten. En dat doe ik ook, ik werk voor mezelf en de idealen die ik had, maar ik weet dat ik een stukje van Hoost, een stukje van Daal, een stukje van Rahman en de anderen ben. Daarom ben ik zo onwrikbaar ja, in de houding die ik aanneem, en in mijn standpunten die ik inneem in deze zaak.”

Het nu lopende vooronderzoek en mogelijk volgende strafproces zijn voor Derby persoonlijk zeer belangrijk.

“Dit interview is een middel. De informatie naar het publiek toe is een middel, het is geen doel en we mogen het niet verheffen tot doel. Het grote doel van het proces is dat in de demokratische rechtstaat wet en recht gelden, en voor iedereen. Niemand moet boven of naast de wet staan. We staan allemaal onder de wet, ook de staat, de regering en alle organen. Alleen op die manier krijgen we evenwichtige geciviliseerde verhoudingen in een samenleving welke nodig zijn voor de instandhouding van die samenleving.”

Derby acht bij dit proces vooral het aan de oppervlakte brengen van de waarheid, opportuun.

“En met de waarheid kunnen we dus weten wie welke bijdrage en wanneer geleverd heeft, ja aan deze lugubere daad. Het nemen van mensen hun levens op een brute manier. Dan kunnen we de wet op ze afsturen en het recht op ze af sturen. Bovendien hebben de nabestaanden recht op de waarheid en de samenleving, de nabestaanden, hebben recht op genoegdoening.”

“Ik zeg onderzoek, waarheid, eventuele vervolging en berechting, kunnen een bijdrage leveren, tot het helen van de wonden die geslagen zijn in deze samenleving, door de 8 decembermoorden. En wij hebben grote behoefte om die samenleving te zuiveren, om die samenleving te genezen van deze wonden. Zodat we als een sterke samenleving, een sterke natie, met heel grote veerkracht, ja, in die rij der samenlevingen, in de rij der naties, onze plaats kunnen innemen, kunnen behouden en uitbouwen. Daarom is het onderzoek zo belangrijk. Daarom is het belangrijk om te onderzoeken. Niet om sensatie. Niet omdat we mensen kwaad willen doen. Maar het is dus voor die rechtstaat, voor die demokratische rechtstaat, noodzakelijk.”

Derby zegt dat het beter was geweest als Bouterse deze zaak anders had aangepakt en werkelijk had getracht in het reine te kunnen komen met dit volk, zonder dat dit volk 8 december ging vergeten. Hij benadrukt dat we met 8 december 1982, een stuk geschiedenis hebben. Ook al staat het omschreven als de zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.

“Dus vergeten kunnen wij dat niet. Want een volk dat een stukje van z’n geschiedenis wegscheurt, dan wel vergeet, is geen volk. Ja, maar vergeven, dat zou kunnen. En Bouterse is niet op een volwassen manier achter vergeven aangegaan. Iedere keer weer stoer doenerij, het roeren in die beerput, waarmee hij zichzelf verder in de afgrond brengt. Hij had niet alleen maar moeten betreuren de gebeurtenissen, maar hij had ook vergiffenis moeten vragen van dit volk. En dan ben ik zeker, dat dit volk, gelovig als we zijn, inderdaad tot vergeving zou overgaan.”

“Maar Bouterse wil het anders aanleggen. Hij wil niet tot verzoening overgaan met dit volk. En als hij gekozen heeft om niet tot verzoening te komen met dit volk, dan wil hij strijd leveren met dit volk. Hij wil maar hebben dat het volk moet accepteren dat hij op deze brute manier mensen hun leven genomen heeft. Maar dan slaat hij de plank volledig mis. Want dat gaat niet gebeuren. Dan kent hij het volk verkeert en slecht.”

Reeds 18 jaar wordt er gesuggereerd dat Derby in leven is gelaten op 8 december 1982 door Bouterse, om de werkende klasse in toom te kunnen houden. Heeft Bouterse aan de vakbondsleider aangegeven waarom hij naar huis mocht en de anderen niet????

“Niet tijdens de 2 gesprekken die ik met hem heb gehad op de dag van 8 december zelf. Deze gesprekken waren onder heel moeilijke omstandigheden, mensonterende omstandigheden en hij heeft mij niets gezegd. Daarna heeft hij me ook niet kunnen - en niet willen zeggen en heeft hij mijn familie ook niets willen zeggen. Mijn oudste zoon is helemaal uit Holland gekomen om de heer Bouterse te vragen hier wat z’n vader misdaan had, waarom hij werd opgepakt en deze behandeling gekregen heeft, zodat de familie kon nagaan om met mij te praten om mogelijke verkeerde handelingen die ik gepleegd had, na te laten. Tot nu toe is Bouterse ons het antwoord schuldig.“

In het nu lopende onderzoek en mogelijke vervolging en berechting heeft Derby alle vertrouwen.

”Ik heb daar volledig vertrouwen in, anders waren wij er niet aan begonnen. En anders waren wij dus ook niet bereid een bijdrage daartoe te leveren.”

“Ik wil echter vermijden om er een politiek proces van te maken wat Bouterse blijkbaar wil hebben. En met een politiek proces bedoel ik dat we dat proces voeren, buiten de rechtszaal om. Dat hij op z’n berm gaat, op zijn perskonferentie gaat, en dingen hier en daar zeggen en menen dat wij gaan reageren. En op die manier in een polemiek komen, buiten een strafproces, buiten dat juridisch kader, dat hiervoor is aangegeven. Buiten de instituten en buiten de instanties en organen die hiervoor in het leven zijn geroepen door onze samenleving zelf. Dat wil ik vermijden. Daarom ben ik dus niet iedere keer weer bereid om op dingen van Bouterse in te gaan.”

“Want Bouterse wil graag een proces buiten de zalen van de rechtszaal te voeren. En dat willen wij dus niet. Maar ik geloof dat we de nodige institutionele versterking die nodig is, in acht moeten nemen ook. Wij staan bekend, los dus van 8 december, los van ‘80, staan we bekend als een volk, een natie dat, geloof hecht en geloof heeft in een eerlijk proces, in een eerlijke rechtsgang. En wij geloven dat het recht daarbinnen z’n beloop moet hebben. Dat is de traditie die we hebben. Zo staan wij bekend, regionaal en internationaal. Dus wat dat betreft hebben we volledig vertrouwen in de mechanismen die we voorhanden hebben, wanneer we die inzetten zoals we die ingezet hebben en daar waar er ervaring moet worden ingevlogen, hebben we gedaan.”

“Binnen ons bestel werken wij dus met rekonstruktie. Willen wij het bewijs leveren dan rekonstrueren we. Bewijsmateriaal moet er zijn. Getuigen moeten er zijn. Al dit soort zaken spelen binnen ons bestel, ons rechtsbestel een hele crusiale rol. Ja, dat maakt die zaak van 8 december zo omvangrijk, tot een mega - zaak. Wanneer we al deze zaken in aanmerking nemen geloof ik dat we inderdaad het doel dat we willen bereiken, zullen bereiken.”

> over de decembermoorden